maandag 12 mei 2014

Natuurwetten bij koninklijk besluit. Over erkenning homeopathie.

Op een steenworp van de verkiezingen heeft Laurette Onkelinx de erkenning van homeopathie in een koninklijk besluit gegoten. Enkel artsen, tandartsen en vroedvrouwen mogen voortaan nog homeopathie beoefenen, op een kleine groep na die van een uitdovingsregeling geniet. Een opleiding van 600 uur aan een universiteit of hogeschool, bovenop de reguliere medische scholing, geeft recht op een koperen naambordje in uw portiek: gediplomeerde homeopaat. 
Enig euvel: geen enkel universiteit wil die opleiding inrichten. Dat is niet verwonderlijk: homeopathie is niet enkel een aanfluiting van de geneeskunde, maar bij uitbreiding van de hele scheikunde en natuurkunde. Uitentreuren: homeopathie heeft niets met kruidengeneeskunde te zien, maar met extreme verdunningen. Die zijn astronomisch, en daar knelt het schoentje: de kans dat ze één molecule van de oorspronkelijk stof bevatten, is quasi nihil. (Misschien maar goed ook: zou u sporen van excrementum canium op uw tong willen druppelen, één van de stoffen die homeopaten verdunnen?) Dat water een ‘geheugen’ zou hebben, die de indrukken opslaat van de stoffen waarmee het in aanraking komt, is een fysische absurditeit. Op moleculaire niveau bestaan geen stille waters: H2O-moleculen schokken en schudden wilder door elkaar dan zelfs de naarstigste homeopaat voor mekaar krijgt. Elke ‘geheugenspoor’ wordt onmiddellijk uitgewist.
Voor een ragfijne uitleg over de werking van homeopathie, zie www.howdoeshomeopathywork.com. Wie een homeopathisch pilletje inslikt, op hoop van zegen, wedt tegen de wetten van de thermodynamica. Niemand heeft ooit een weddenschap tegen de thermodynamica gewonnen, en de wetten van de kosmos wordt niet bij koninklijk besluit vastgelegd in de achterkamers van de Wetstraat. Indien iemand ooit een grootschalig experiment had willen opzetten naar de werking van het placebo-effect, met de halve wereldbevolking als proefkonijn, dan had hij niet beter kunnen doen dan de principes van de homeopathie toe te passen. Andere effecten benevens het placebo zijn zo goed als uitgesloten. Wie twijfelt aan dat vooroordeel, kan ook de medische literatuur raadplegen: geen enkele ernstige dubbelblindstudie toont enige effect aan van homeopathie.
De wet Colla uit 1999, waarmee Onkelinx zat opgezadeld, voorzag in de regeling van nog drie andere alternatieve geneeswijzen: osteopathie, acupunctuur en chiropraxie. Die andere alterneuten blijven in de kou staan. Ironisch dat Onkelinx uitgerekend de therapievorm erkent waarvoor de bullshit-detector het hoogst in het rood uitslaat.  De andere therapieën zijn wetenschappelijke eveneens omstreden, maar er zijn hier en daar op zijn minst aanwijzingen van werkzaamheid, voor specifieke aandoeningen. Lang niet voldoende voor een erkenning als dusdanig, of voor een aparte faculteit aan de universiteiten, maar toch. Op zijn minst tart geen van hen de wetten van de fysica zoals de homeopathie dat al meer dan 200 jaar betracht.
De overwegingen van Onkelinx zijn echter niet wetenschappelijk maar puur politiek van aard. Homeopathie is populair bij de bevolking, dus moet het erkend worden, tegen de adviezen van haar eigen Kenniscentrum en zowat alle medische expertorganen ter wereld in.  Maar dat geeft een volstrekt verkeerd signaal: een wettelijke erkenning voor homeopathie wekt de indruk van een keurmerk, een garantie van betrouwbaarheid. Bij gebrek aan enig wetenschappelijk bewijs zal het door homeopaten overal worden aangegrepen als een overwinning. Wanneer volgt de erkenning voor Lourdes-water, door het ministerie van volksgezondheid gewijd , en door erkende sprenkelaars besprenkeld?

Burgers hebben het recht om bij homeopaten en andere alternatieve genezers aan te kloppen, voor zover zij dat wensen, maar de overheid moet die onwetenschappelijke praktijken niet legitimeren. Geschud water mag dan al geen bijwerkingen hebben, het bezorgt mensen wel een vals gevoel van veiligheid. In principe komt de patiënt nu terecht bij iemand die een medische opleiding heeft genoten, en die dus kan inschatten wanneer geschud water niet volstaat en een echte medische behandeling vereist is. Dat is op zich een goede zaak. Maar zou u een geneesheer vertrouwen die 400 uur opleiding heeft gevolgd voor een vorm van veredelde magie, in weerwil van de wetten van de fysica en tonnen bewijsmateriaal? Ik alvast niet.

(gepubliceerd op Knack.be)

maandag 5 mei 2014

Kunnen ze lijden? De hedonistische hamvraag.

(deel 2, vervolg op "De grootste schurkenstreek van evolutie")

Hoe ver reikt de diameter van onze morele cirkel? Wie of wat moet binnen haar omtrek vallen? De hamvraag voor elk levend wezen, zoals de filosoof Jeremy Bentham het in een beroemd citaat uitdrukte, is of het in staat is om te lijden. Niet hoeveel poten het telt, of het kan praten, en met welke vacht of verendek het is uitgedost. 

Daar ben ik het volkomen mee eens. Nodeloos lijden toebrengen aan voelende wezens is wreed en verwerpelijk. Benthams criterium kent echter ook een andere begrenzing, als je het consequent doortrekt. De beleving van pijn en genot is een vermogen waarover – vermoedelijk – op zijn minst hogere diersoorten beschikken. De filosofische onzekerheid daaromtrent wordt vaak onderschat, en antropomorfisme loert steeds om de hoek, maar voorzichtigheidshalve kunnen we er maar beter van uitgaan. Maar wat telt nog, behalve pijn? Indien niet het aantal poten of ogen, dan misschien toch andere, meer verfijnde morele concepten? 

Ethische argumenten voor vegetarisme en veganisme zijn uiteenlopend, en niet elk daarvan vind ik even overtuigend als het criterium van Bentham. Met het risico om mijn dierenminnende vrienden te schofferen: laat ik even opsommen welke overwegingen ik niet of veel minder van belang vind, naast pijnbeleving. 

Een nutsbenadering van dieren vind ik an sich niet problematisch. Zelfbeschikking, autonomie en instrumentalisme zijn morele concepten die aan de breed uitgevallen hersenpan van Homo sapiens zijn ontsproten. Geen hond, laat staan een mossel, die ervan wakker ligt. Dieren opsluiten in kooien en stallen is moreel laakbaar als het om dieren gaat die omwille van hun constitutie lijden onder gevangenschap. Dat geldt niet voor alle soorten, bijvoorbeeld voor sommige dieren wier constitutie is aangepast door domesticatie en kunstmatige selectie. 

De inkorting van de 'natuurlijke' levensduur van een dier vind ik ook geen struikelblok, zolang dat pijnloos gebeurt. Dieren hebben nauwelijks besef van hun eindigheid, hun toekomstperspectieven en hun soortspecifieke levenswandel, die overigens sterk uiteenloopt. Het leven van een olifant is niet waardevoller omdat hij gemiddeld langer rondloopt dan een muis. Bovendien bezondigt het argument zich aan de naturalistische dwaling, die het natuurlijke als maatstaf neemt voor het moreel goede. Infanticide is ook 'natuurlijk' bij leeuwen: mannetjesleeuwen bijten de welpen van hun nieuwe wijfje dood. Dat dieren een goed leven leiden, gepaard met zo weinig mogelijk lijden, lijkt me belangrijker dan het moment waarop ze overlijden. Een heilig respect voor leven an sich overtuigt me evenmin. Leven heeft geen intrinsieke waarde. 

De mens heeft allerlei verfijnde morele categorieën voor zichzelf bedacht, maar op enkele uitzonderingen na, hebben dieren daar geen uitstaans mee. Van schuld en verantwoordelijkheid hebben ze geen notie, net zomin als van nalatigheid, omissie, integriteit en keuzevrijheid. De strikte scheidingslijn tussen de wilde en gedomesticeerde natuur, waarop vegetariërs vaak hameren, heb ik nooit goed begrepen. Een gazelle die door een leeuw wordt verscheurd, lijdt net veel méér dan een gazelle die op de slachtbank wordt gekeeld. Aan de overweging dat de bloeddorst van de leeuw nu eenmaal tot zijn soortspecifiek gedrag behoort, dat hij niet moreel aansprakelijk is, en dat we de integriteit van de natuurlijke orde moeten respecteren, heeft zo’n gazelle weinig boodschap. In haar plaats verkoos ik de gewisse genadedood van de slachtbank. Als we consequent dierenleed willen bestrijden, moeten we eigenlijk ook hele ecosystemen naar onze hand zetten, wat natuurlijk in de praktijk waanzin is (hoewel er stemmen voor opgaan in filosofische kringen -- de term 'abolitionisme' weerklinkt her en der). Toch kunnen we er eens bij stilstaan als we seriemoordenaars als de lynx of wezel uitzetten in de natuur, ter wille van het natuurbehoud. Of als onze poes weer eens een vogel martelt, gewoon voor haar plezier. 

Maar goed, laten we ons hier focussen op het lot van dieren dat we wel en onmiddellijk kunnen beïnvloeden. In ethisch opzicht zie ik op zich geen graten in het doden van een dier voor menselijke consumptie, zolang dat pijnloos gebeurt en na een goed leven. Enkel jaren geleden heb ik samen met een goede vriend, nota bene een bio-ethicus, de daad bij het woord gevoegd. Indien wij werkelijk geen moreel bezwaar hebben tegen het doden van een ander leven, zo redeneerden wij, dan moeten we ook in staat zijn om dat met de blote hand te doen. Een bloedeloze kipfilet, klinisch verpakt in plastic folie, herinnert ons nauwelijks aan het gevederte en het gekakel dat eraan voorafging. Misschien zijn we zo vervreemd van de herkomst van vlees en zuivel dat we onszelf een rad voor de ogen draaien.

Zo slopen wij op een kille winterdag bij dag en dauw naar het kippenhok van mijn vriend, waar de Mechelse koekoek op stok zat die hij al enkele maanden in zijn moestuin had laten scharrelen. In mijn herinnering dempte de verse sneeuw onze tred, maar misschien ben ik vatbaar voor confabulatie. Indien men een kip voorzichtig optilt vanop haar stok, en haar kop naar beneden laat zakken, blijft ze in een slaapdronken toestand. Het rashoen werd zacht op de slachtbank neergevlijd. Mijn vriend hield de kip vast, ik hanteerde het lemmet. Later die middag hebben we de kip gepluimd, en 's avonds een voortreffelijke filet gebraden. 

Laat ik wel wezen: een roeping als beenhouwer heb ik niet gemist. Er zijn aangenamer activiteiten denkbaar dan een dier de keel oversnijden. Toch werd mijn geweten op geen enkele moment bezwaard. 

In Nederland heeft de vereniging Dierenbescherming een keurmerk "Beter Leven" ingevoerd, opgedeeld in drie sterren. Aan elke ster zijn duidelijke criteria gekoppeld over de levensomstandigheden van het dier, de beschikbaarheid van vrije uitloop en beschutting, verdoving bij castratie en slacht, de maximale lengte van de weg afgelegd naar het slachthuis, enzovoort. Een dergelijk keurmerk is beter dan het vage etiket "biologisch", waarin dierenwelzijn niet centraal staat, en waaraan allerlei vormen van natuursentimentalisme kleeft (maar dat zou ons hier te ver leiden). Het keurmerk maakt ook geen onderscheid tussen vlees en andere dierlijke producten, consistent met het hedonisme dat ik hier verdedig. Liever eet ik een lamsbout van een dier dat vrij in de wei mocht grazen en pijnloos werd geslacht, dan een stuk kaas van een koe die haar hele leven heeft afgezien. Om die reden vind ik veganisme overigens een meer consistente houding dan vegetarisme.

Voor zover ik weet, is dat keurmerk hier enkel beschikbaar in het handvol Albert Heijn supermarkten dat hier is neergepoot. Waarom voeren we hier geen dergelijk systeem in? Een keurmerk met verschillende gradaties lijkt me een slimme strategie om de levensstandaard van dieren stelselmatig op te krikken. Naarmate dat keurmerk zichtbaarder is en wijder verspreid, zullen consumenten zich ook meer moreel aangesproken voelen, omdat ze dan in beide gevallen een keuze moeten maken. In een volgende fase kunnen we de zaken omdraaien: in plaats van een positief ethisch keurmerk, verplichten we producenten om een waarschuwing te plakken op dierenproducten waarvan het dierenwelzijn niét is gegarandeerd. Psychologisch onderzoek wijst uit dat een dergelijke omkering – via de zogenaamde default-heuristiek – een enorm verschil kan maken in het gedrag van de consument. Wie wil dan nog bewust kiezen voor zo'n onethisch vlees? Enkel een kreeftenklievende kloefkapper als Piet Huysentruyt? 

Op termijn maak je de hogere standaarden wettelijk verplicht. Zolang we biefstukken niet op kostenefficiënte wijze in vitro kunnen kweken, of via een andere vegetatieve methode die elke vorm van bewuste pijnbeleving uitsluit (blogvoer voor later), lijkt het me ethisch wenselijk om dat keurmerk af te dwingen. Zolang we wezens voor onze consumptie gebruiken die tot bewuste pijnbeleving in staat zijn, zal het moeilijk zijn om lijden volledig te vermijden. Dat komt door die schurkenstreek van de evolutie: er zijn altijd veel meer manieren om een voelend wezen pijn te berokkenen, dan om het plezier en welbehagen te verschaffen. 

In afwachting heb ik me niettemin voorgenomen om, met ingang van vandaag, een maand lang vegetarisch te leven, industriële zuivel zonder keurmerk zo mogelijk te vermijden, en enkele veganistische gerechten uit te proberen. Wie een pleidooi houdt voor de morele aanvaardbaarheid van vlees eten, en het toevallig ook bijzonder lekker vindt, haalt zich de verdenking van cognitieve dissonantie op de hals. Wie weet bekeer ik me wel. 


zaterdag 3 mei 2014

De grootste schurkenstreek van evolutie

Dood en verderf moet de meest duurzame brandstof zijn die ooit is uitgevonden. Evolutie door natuurlijke selectie draait er al miljoenen jaren op. Een calculus van lijden opstellen is geen sinecure, maar de optselsom van al het leed dat zich voltrekt in het universum terwijl u deze blogpost leest - zelfs al houdt u het hier al voor bekeken - gaat elke redelijke bevatting te boven. Al die gruwel, voor zover we weten, is samengebald in één enkel Boschiaans inferno, op een onbeduidende planeet in een onopvallend zonnestelsel ergens in de banlieues van een doordeweeks sterrenstelsel.  Maar indien er leven bestaat elders in het universum, kunnen we er van op aan dat de natuur daar ook daar rood is in tanden en klauwen. Evolutie door natuurlijke selectie is het enige mechanisme dat organische complexiteit kan creëren, en haar methodes zijn brutaal, kwistziek en genadeloos competitief. 

Eén belangrijke voorbehoud: die gruwel bestaat enkel bij gratie van organismen die haar bewust beleven. Als we bijzonder streng zijn, kennen we slechts twee onwrikbare zekerheden: dat de strijd om het leven aanvankelijk in stilte woedde, zonder enige vorm van pijn of plezier, en dat ergens in bepaalde vertakkingen het licht is aangeknipt. De grijze zone daartussen is voer voor onzekerheid en afweging. 

Bewuste pijn is een zere wonde in de filosofie, omdat we niet echt begrijpen hoe ze uit levenloze materie is ontstaan. Intuïtief lijkt het alsof het licht op een bepaald moment moet aanknippen: een schakelaar in het brein, een bepaalde formatie van neuronen. Maar er is geen enkel biologisch vermogen dat zwart/wit is. Evolutie beweegt zich langs zachte glooiingen en schuwt grote sprongen. 

Dat raadsel is dichterbij dan we ons verbeelden, omdat het zich recapituleert in elk mensenleven (en minstens sommige dierenlevens). Een embryo is ontegensprekelijk niet bewust, een volwassen mens wel. Waar bevindt zich de scheidingslijn? 

Het vermogen om de strijd van het leven van binnenuit gewaar te worden, is misschien wel de vuigste streek die de regisseur - evolutie door natuurlijke selectie - met ons heeft uitgehaald. Opgepeuzeld worden door een honger roofdier, of van binnenuit opgevreten door een parasiet, is één zaak: een krop sla heeft er weinig last van. Maar dat lot subjectief beleven vanuit het standpunt van de opgepeuzelde, uitgerust met tintelende zenuwen aan alle uiteinden van haar kwetsbare weefsel, en verbonden met een centraal zenuwstelsel om die prikkels tot leven te wekken, is een verschrikking zonder weerga.

De meeste levende wezens doorstaan hun pijn in eenzaam isolement, zonder daarbij stil te staan. Bij de pijn die andere wezens doormaken, vanop hun eigen eiland van bewuste ervaring, blijven ze volstrekt onverschillig. De meesten ontberen überhaupt het vermogen om zich in het perspectief van andere wezens te verplaatsen. In deze tak van de grote apen, en mogelijk ook bij onze naaste neven, is dat besef wel doorgedrongen.

Rest de vraag welke levende wezens, behalve homo sapiens, nog in staat zijn tot bewuste pijnbeleving. Wie trof evolutie nog met haar schurkenstreek? Als ik me overgeef aan wensdenken, dan zou ik de visie van René Descartes verkiezen: levende wezens zijn zielloze automaten, niet in staat tot bewuste pijnbeleving. Zij vluchten weg van gevaar, vechten voor eigen lijfbehoud en schreeuwen het uit wanneer ze daarin falen, maar er is niemand thuis in hun brein. 

Een bekend voorbeeld. Sluipwespen leggen hun eitjes in levende rupsen, na ze eerst verlamd te hebben. De rups wordt van binnenuit opgevreten door de larven, die vers vlees zoveel lekkerder vinden. Darwin was zo geschokt door deze wreedheid dat hij er zijn geloof in een goede Schepper bij inschoot. Het gelijk van Descartes zou een zegen zijn voor die rups. Maar helaas morrelt er vanalles aan Descartes dualistische wereldbeeld. Indien niet voor de rups, dan toch minstens voor hogere diersoorten. Wie in de ogen van een geslagen hond kijkt, ziet dat Descartes zich vergiste. 

Niet dat intuïties bij de aanbik van natte hondenogen altijd de beste filosofische leidraad zijn. Maar waar trek je de scheidingslijn? Hoe ga je om met de onzekerheid omtrent de subjectieve beleving van lagere diersoorten? Kan je de poten van een kreeft uitrukken en ze levend grillen? 

Een groeiend aantal mensen in mijn vriendenkring, die ik intellectueel en moreel hoog inschat, vindt dat een overpeinzing van dierenleed onvermijdelijk tot vegetarisme of zelfs veganisme leidt als enige morele optie. De vraag is eigenlijk nog breder: indien dieren in veestallen kunnen lijden, doen ze dat ook in het wild. Moeten we ons iets aantrekken van het Darwiniaanse inferno dat zich buiten ons blikveld voltrekt, of enkel het leed dat we zelf veroorzaken?

Met deze vragen worstel ik al enige tijd. Nog even bedenktijd voor deel twee van deze blog. Wordt vervolgd.