zondag 29 juni 2014

De multiculturele erfzonde: iedereen racist

 | De Standaard

(hieronder de ingekorte versie uit De Standaard. Het volledige essay staat hier)

De multiculturele erfzonde: iedereen racist
2 FOTO'S
Bepaalde scènes uit 12 Years a Slave, het epos van Steve McQueen over een vrije zwarte die in 1841 ontvoerd wordt naar een zuiderse slavenstaat, zijn om fysiek misselijk van te worden. Misschien nog schokkender dan de tergend lange folteringen en de voortdurende psychische terreur, is dat deze gruwelen niet buiten elk moreel kader plaatsvonden, maar een eigen perverse morele logica kenden, die voor de moderne kijker nauwelijks te bevatten is: een zwarte is een minderwaardige levensvorm, die je naar believen kan mishandelen en vernederen, zolang het je rechtmatige bezit betreft. Moord of verminking van andermans slaaf is een misdrijf, maar alleen tegenover de slavendrijver, als schending van diens eigendom. Die misdaden tegen de mensheid werden uitgevoerd (en ondergaan) door onze eigen overgrootouders, nauwelijks enkele generaties terug.
Blootgesteld aan zoveel barbarij, slaak je een zucht van verlichting als je de zaal verlaat. Oef, dat was toen. Maar is die opluchting niet zelfgenoegzaam of naïef? Is rassenhaat wel een nachtmerrie waaruit we voorgoed ontwaakt zijn? Of sluimert het virus onderhuids voort, langs andere uitwegen en in andere gedaantes?
Bij elke meter morele vooruitgang staan er doemdenkers aan de zijlijn om te verkondigen dat a) de neergang ons dra opwacht, of b) het nog nooit zo slecht geweest is. Soms ook beide. Enig defaitisme is ook de bestrijders van racisme niet vreemd. Activiste Rachida Aziz gooide op deze pagina’s de handdoek in de ring: ze is ‘moegestreden’ en ‘gelooft er niet meer in’ (DS 27 juni) . Racisme zit nu eenmaal ‘diep ingebakken in onze samenleving’. Deze krant besteedde vorig jaar een heel dossier aan racisme, en sindsdien al ettelijke opiniestukken, maar volgens Orlando Verde op KifKif zijn onze kranten ‘blind voor racisme’. VRT-journalist Peter Verlinden waarschuwt voor de ‘dreigende terreur van het racisme’. Ook bij onze noorderburen, aldus opiniemaker Zihni Özdil, gaan ze ten onder aan de woekerende rassenhaat: ‘Vergeet maatschappelijke betrokkenheid. Dit land is niet meer te redden.’
De komende decennia, zo schrijft Aziz, moeten we geen glimp van hoop verwachten. Decennia! Draai de klok enkele decennia terug en we kenden nog raciale segregatie, apartheid en raciale pogroms in de westerse wereld. Nog een paar decennia daarvoor werd de grootste raciale genocide uit de geschiedenis uitgevoerd in het hart van de Europese beschaving. En over enkele decennia zouden wij geen oplossing vinden voor pakweg het perceptieprobleem van een aangebrande folklore-figuur (ik hoef hem niet te noemen), of de discriminatie op de arbeidsmarkt?
Morele ophoging
De lange klim van het verleden, zo schreef H.G. Wells, logenstraft onze wanhoop. Denk aan de rechtenrevolutie, de wereldwijde illegalisering van slavernij sinds 1981, en de afschaffing van raciale segregatie. De afgrond gaapt niet voor, maar achter ons. Hoe meer misstanden we uit de weg ruimen, hoe hoger we onze morele standaarden kunnen opschroeven. Een harlekijn met schoensmeer die vroeger nog op schouderophalen werd onthaald, wekt vandaag verontwaardiging op. Die normatieve ophoging, zoals de socioloog Gabriël van den Brink ze noemt, valt op zich toe te juichen, zolang ze niet ontaardt in een obsessie met symbolen en pekelzonden, ten nadele van echte misstanden.
Wellicht zullen ook wij onze achterkleinkinderen op onze beurt beschamen met onze 21ste-eeuwse barbarijen. Maar waarom moet die verhoogde gevoeligheid gepaard gaan met een stuitend defaitisme? Hoe komt het dat de morele vooruitgang, waarvan die verhoogde gevoeligheid het meest trefzekere symptoom is, geen aanleiding geeft tot optimisme? Vanwaar de mantra dat Vlaanderen een ‘racistische’ samenleving is? Racistischer dan vijftig jaar geleden? Belabberder dan Noorwegen, Namibië of Nicaragua?
Relatief racisme?
Inkt en vitriool vloeiden al in gelijke mate over de stelling dat ‘racisme relatief is’. Filosofen fileren graag concepten, dus staat u me even toe. Racisme of raciale discriminatie is volgens de definitie van de VN de discriminatie, benadeling of uitsluiting van mensen op basis van huidskleur, etnie of afkomst. Die praktijk, welke naam ze ook draagt, verdient geen enkele relativering, net zomin als de denkbeelden waaraan ze ontsproten is. Racisme is absoluut verfoeilijk. Niet alleen heeft het wetenschappelijk geen enkele basis, het is moreel verwerpelijk en verantwoordelijk voor de bloederigste bladzijden uit de geschiedenis.
Een ander paar mouwen is de perceptie van ‘racisme’, de toepassing van een absoluut helder theoretisch begrip in de echte wereld. Wanneer zijn onze oordelen over elkaar etnisch gekleurd? Iemand die volhoudt dat ‘racisme’ ook in die zin niet relatief kan zijn, heeft het eerste normatieve begrip in onze taal ontdekt dat tegen misbruik bestand is. Elke pejoratief concept veroorzaakt collaterale schade: waar met vingers wordt gewezen, worden op den duur onschuldigen geviseerd. Dat geldt net zozeer voor ‘politieke correctheid’, de Nemesis van ‘racisme’ in ons multiculturele taalspel. Zou iemand eraan twijfelen dat de dooddoener van de ‘politieke correctheid’ bijwijlen wordt rondgeslingerd om onfrisse denkbeelden af te dekken?
Basale rassenhaat, of de gedachte aan een hiërarchie in de raciale ontwikkeling, kent een onmiskenbare neergang. Wie daaraan twijfelt, bekijke de statistieken over racisme in Steven Pinkers magnum opus The better angels of our nature. In 1965 was 75 procent van de blanke Amerikanen nog gekant tegen interraciale huwelijken, en gaf 30 procent nog aan de ze zouden verhuizen als er een zwarte familie naast de deur kwam wonen. Die cijfers zijn sindsdien in vrije val.
In plaats van die afname aan openlijk racisme toe te juichen, houden zwartkijkers vol dat de ziekte nu onderhuids, subtieler en dus gevaarlijker is. Ter vervulling van hun eigen pessimisme, hebben ze het begrip ‘racisme’ semantisch opgerekt tot elke vorm van kritiek op vreemde culturele praktijken. Racisme is niet alleen discriminatie op basis van huidkleur of afkomst, zo werd beschikt in academische cenakels, maar elke vorm van angst voor het ‘Andere’. Dat Nieuwe Racisme, bedacht door de marxistische academicus Martin Barker, werd sindsdien omgedoopt tot de onzinnige miskleun ‘cultureel racisme’. Wie een cultuur of religie minderwaardig vindt, omdat ze bijvoorbeeld vrouwen als tweederangsburgers behandelt, is nu van hetzelfde schorem als de blanke suprematist. Die semantische inflatie, gekoppeld aan de cultuur van vermoeiende zelfkastijding, is nu zover doorgedreven dat ze zichzelf in de staart heeft gebeten. De stelling dat ‘racisme diepgeworteld is in onze samenleving’, is immers zelf racistisch volgens de eigen opgerekte definitie. Pleiten voor overheidsneutraliteit aan het loket is nu een ‘vermomd racisme’ (Bruno Tobback). Multiculturele bakfietsbobo’s zijn ‘betuttelracisten’ omdat hun pleidooi voor diversiteit raciale segregatie in de hand werkt (Zihni Özdil). Luckas Vander Taelen en Tom Naegels zijn eveneens racisten, omdat ze respectievelijk aandurven om problemen met allochtone jongeren aan te kaarten, en de heisa rond Zwarte Piet te temperen (Omar Ba & Maryam H’Madoun van Kifkif). Ziehier de multiculturele erfzonde: wie zonder rassenhaat is, werpe de eerste steen. Dyab Abou Jahjah (DS 27 juni) schrijft terecht dat we onze morele categorieën beter moeten afbakenen, maar springt vervolgens zelf slordig om met het onderscheid tussen racisme, discriminatie en scherpe cultuurkritiek.
Botsing der culturen
Waar komt de semantische miskleun ‘cultureel racisme’ dan vandaan? De culturele en etnische breuklijnen in onze samenleving, zo wil een ongelukkig toeval, vallen gedeeltelijk met elkaar samen. De intrede van de islam in het bijzonder heeft een schokgolf teweeggebracht in onze grotendeels geseculariseerde samenleving. En de jongste loot aan de monotheïstische boom kampt wel degelijk met een imagoprobleem. De meerderheid van moslims treft daar geen schuld aan, maar zowel gematigden als radicalen beroepen zich op dezelfde heilige teksten en hanteren soortgelijke symbolen. Dat zoiets roet zou strooien in het multiculturele sprookje, stond in de sterren geschreven.
Authentieke rassenhaat kan zich verschuilen achter een anti-islamdiscours, zoals bij Vlaams Belang. Progressieve stemmen deinzen ervoor terug om een vreemde godsdienst aan te pakken, zoals ze dat destijds met het christendom deden, uit angst om in de verdomhoek van het racisme geduwd te worden. Die dynamiek is zelfvervullend: ten langen leste wordt de kritiek op ‘vreemde’ culturen en religies overgelaten aan hen die religiekritiek als dekmantel gebruiken om hun vreemdelingenhaat de vrije loop te laten. Gematigde moslims voelen zich gediscrimineerd, en fundamentalisten gebruiken onze heilige schrik voor racisme als een schild om hun ideologie straffeloos te propageren. Als de blanke bekeerlingen die naar Syrië zijn gaan strijden één onwillekeurige verdienste hebben, is het dat ze aantonen dat de legitieme kritiek op de fundamentalistische islam niets met huidskleur te maken heeft. Het islamitisch jihadisme is een toxische ideologie, ongeacht wie haar aanhangt.
Die groeipijnen van onze multiculturele samenleving toeschrijven aan een onuitroeibaar ‘racisme’ helpt ons geen meter vooruit. We moeten onze morele categorieën afbakenen. Harde kritiek op vreemde culturen, tenzij die een schaamlapje is voor racisme, is onmisbaar in een vrije samenleving. Iedereen heeft het recht om een cultuur achterlijk of vrouwonvriendelijk te noemen, of om te beweren dat racisme diepgeworteld is in de Vlaamse cultuur. Zolang hij daar geen biologische verschillen aan verbindt, heeft dat niets met racisme te maken.
Strange fruit
In plaats van naar onheilsprofeten te luisteren, zouden we beter onze blik scherp stellen en concrete maatregelen nemen om rassendiscriminatie nog verder terug te dringen. Praktijktests aan de ingang van discotheken of anonieme sollicitaties zijn uitstekende oplossingen om subtiel racisme op te sporen. (Dan moeten we wel dringend ons postmoderne narcisme om onze teergekoesterde privacy laten varen.) Maar laten we ook onze morele blik scherp houden, en de vrije meningsuiting niet beknotten door harde kritiek op culturele praktijken en ideeën te bezoedelen met het begrip ‘racisme’. En laten we vooral bedenken waar we vandaan komen. Nog geen eeuw geleden poseerden hele blanke dorpen, met een triomfantelijk brede glimlach, naast het bengelende lijk van de zwarte die ze zonet gelyncht hadden (‘Strange fruit hanging from the poplar trees’). Sommigen etaleerden stoffelijke overschotten – vingers, oren, genitalia – als macabere trofeeën in hun huiskamer, ter vermaak van familie en bezoekers.
Wie meent dat de strijd tegen racisme vruchteloos is, of dat onze samenleving de geschiedenisboeken zal ingaan als een pandemonium van rassenhaat, heeft een totaal gebrek aan historisch besef en ethisch perspectief. We moeten kleurenblind worden, maar niet moreel blind.

dinsdag 10 juni 2014

De wansmaak van Rik Torfs

Rik Torfs heeft zijn eigen betoog in de weekendkrant “wansmakelijk” genoemd. Wie ben ik om hem tegen te spreken? De meervoudige moord van de diaken uit Menen verklaren vanuit de liberale euthanasiewetgeving, zo waarschuwt Torfs eerst nog, zou van wansmaak getuigen. Maar nauwelijks zijn deze woorden koud, of hij heeft de dodende diaken als de overtreffende stap van de progressieve euthanasiewet afgeschilderd, langs een “evolutie in drie fasen”. Eerst richten mensen hun eigen levenseinde in, maar voor je het weet beschikken ze ook over het leven van anderen. De grens is dun, de helling glad.

Dat is de wereld op zijn kop. De liberale euthanasiewetgeving steunt op de onwankelbare sokkel van de zelfbeschikking. Mensen zonder hun toestemming of medeweten de dood in drijven is geen ontsporing van het recht op zelfbeschikking, maar de meest grove en fundamentele schending daarvan. Pleitbezorgers van zelfbeschikking zijn dan ook geen “voorstanders van euthanasie”, alsof ze zoveel mogelijk mensen een zelfgekozen dood willen aanpraten, maar van het recht om het levenseinde naar eigen wens in te richten. De keuze om de laatste ademtocht lijdzaam te ondergaan, verdient evenveel respect als de keuze om haar te bespoedigen.

De diaken begon zijn moorddadige praktijk in de jaren ’80, ruim voor de maatschappelijke discussie over de euthanasiewet op gang trok. Die kan daar geen enkele invloed op uitgeoefend hebben. Als Torfs de moordende diaken zo nodig levensbeschouwelijk wil accapareren,  dat hij zich dan het volgende bedenkt. Mensen ongevraagd euthanasie toedienen, is eigenlijk het spiegelbeeld van het paternalisme waarin sommige gelovigen vervallen. De ene ontneemt een leven zonder toestemming, de ander rekt het leven en lijden tegen de uitdrukkelijke wil van de betrokkene. De ene handeling is natuurlijk veel drastischer (actief handelen – dus moord), de andere is slechts schuldig door omissie. Beide treden de zelfbeschikking met de voeten, en vertrekken vanuit de aanmatigende gedachte dat de ene mens, zich eventueel verschuilend achter de denkbeeldige dictaten van een opperwezen, over het leven en de dood van een ander kan beschikken.

http://www.standaard.be/cnt/dmf20140609_01134540

woensdag 4 juni 2014

Moeder, waarom redeneren wij?

"Een brein ter grootte van een planeet, en zie wat voor klusjes ze me laten opknappen", zo verzucht Marvin de chronische depressieve robot, één van de personages uit Douglas Adams' onsterfelijke The Hitchhiker's Guide to the Galaxy. Marvin ging gebukt onder zijn ontzagwekkende intelligentie. Wat heb je aan zo'n groot hoofd, als het je enkel kopzorgen bezorgt?

Die vraag zou elke telg van Homo sapiens zich kunnen stellen. Een groot brein is geen onverdeelde zegen. Naar biologische maatstaven is de hersenmassa die we overal meezeulen onder onze schedelpan, in verhouding tot ons lichaamsgewicht, ronduit buitenissig. Zelfs wanneer u geen bijzondere denkkracht verricht – en ik zal u niet te hard op de proef stellen – slorpt uw brein 20% van uw totale energiebudget op.

Mede door ons grote brein, worden mensenkinderen veel vroeger ter wereld gebracht dan je van een zoogdier van die omvang zou verwachten. De eerste jaren van ons leven zijn we dan ook volstrekt hulpeloos. En dan nog is de schedel van baby’s levensgevaarlijk groot: voor de uitvinding van de moderne geneeskunde stierven 15 moeders op 1000 tijdens de bevalling.

Natuurlijke selectie zou zo'n kostenplaatje nooit toestaan, indien er geen belangrijke voordelen tegenover stonden. Maar wat moeten we in vredesnaam aanvangen met al die grijze massa?

Een brein is handig om de wereld te verkennen, dat spreekt voor zich. Ons vermogen tot abstract redeneren laat ons toe om de natuur en onze medemens te doorgronden, voorspellingen te maken en strategieën uit te denken om ons biologische imperatieven te vervullen. Maar waarom vertellen psychologen ons dan dat we vatbaar zijn voor een hele waslijst aan drogredenen en misvattingen? Denk aan Het feilbare denken van Daniel Kahneman, het boek Oogklepdenken van Ruben Mersch, of desnoods – als u helemaal ten einde raad bent – mijn eigen boek met Johan Braeckman over de nood aan kritisch denken: De ongelovige Thomas heeft een punt. Vanwaar al die blinde vlekken, vooroordelen, denkfouten? Wat heb je aan zo'n uit de kluiten gewassen brein, als het je alleen maar met onzin opzadelt?

De laatste decennia hebben evolutiepsychologen een hele waaier aan hypothesen ontwikkeld die de valkuilen van ons denken moeten verklaren. Evolutie is een blind en doelloos proces, dat niet altijd tot optimale resultaten leidt. Soms zijn ook afwegingen nodig: beter een hoop onschuldige fouten maken dan één fatale blunder. Mogelijk zijn sommige waanbeelden ook rechtstreeks adaptief: ze bevorderen onze overleving en de verspreiding van onze genen (denk aan de rooskleurige illusies die we over onszelf koesteren).

De meest verrassende en uitdagende hypothese van de afgelopen jaren werd ontwikkeld door de Franse filosoof Hugo Mercier, in samenwerking met de cognitieve wetenschapper Dan Sperber. Volgens hen vergissen we ons over de biologische functie van ons redeneervermogen. Doorgaans gaan we ervan uit dat ons brein dient om tot waarheid te komen, om objectieve kennis op te doen over de wereld. Maar volgens Mercier en Sperber onderschatten we de sociale dimensie van ons redeneervermogen. De mens is een groepsdier bij uitstek. Wat als de oorsprong van de rede niet ligt in een eenzame zoektocht naar waarheid, maar in een poging om anderen te overreden? Wat als we geboren advocaten zijn, eerder dan waarheidsvorsers?

Volgens Mercier & Sperber vallen een heel aantal puzzelstukjes van onze mentale huishouding daarmee op hun plaats -- zaken die ons anders bizar en irrationeel voorschijnen. Neem het beroemde bevestigingsvooroordeel. Mensen zijn steeds geneigd om te zoeken naar wat hun eerdere opvattingen bevestigt, in plaats van ze kritisch in vraag te stellen. In de klassieke visie geldt dat als een hardnekkige vorm van irrationaliteit. Experimenteel onderzoek wijst echter uit dat mensen perfect begrijpen hoe je een stelling moet weerleggen, en ook bereid zijn dat te doen. Op voorwaarde dat het niet de hunne is. Als de functie van onze rede echter is om anderen te overreden, dan heeft het weinig zin dat we met tegenwerpingen voor de dag komen. Dat helpt onze zaak niet echt vooruit. Beter om onze gesprekspartner te overstelpen met zoveel mogelijk positieve argumenten. De tegenwerpingen krijgen we vanzelf wel op ons bord.

Logische vraagstukken waar we onze tanden op stuk bijten, worden plots inzichtelijk als we ze in een sociale context plaatsen, als we een tegenstrever in het spel brengen. In de beroemde Wason selectie-taak bijvoorbeeld, krijgen mensen vier kaarten voorgelegd en moeten ze een vraagstuk oplossen. “Op de zichtbare kant van de vier kaarten staat ‘3’, ‘A’, ‘4’ en ‘B’. Beschouw de volgende regel: als er een oneven cijfer staat op de ene kant van een kaart, dan staat op de ommezijde een klinker. Welke kaarten moet ik omdraaien om die regel te toetsen?

De meeste mensen geven een voorspelbaar fout antwoord: ze gaan enkel op zoek naar kaarten die de stelling bevestigen, in plaats van potentieel ontkrachten (hier is het juiste antwoord: kaarten ‘3’ en ‘B’). Geef de stelling echter een sociale dimensie, waarbij je bedrog probeert op te sporen, en iedereen geeft het juiste antwoord. “Stel dat je barman bent en niet wil dat minderjarigen alcohol drinken. Wie of wat moet je controleren, als er vier mensen voor je zitten: een 15-jarige, iemand die een whiskey drinkt, een 21-jarige, of iemand die een cola drinkt?”

De theorie van Mercier en Sperber zou ook onze merkwaardige neiging verklaren om niet de keuzes te maken die we zelf de beste vinden (een vakantiebestemming, een hobby, een streekbier), maar vooral de keuzes waarvoor we expliciete argumenten kunnen bedenken. Vanuit een klassiek beslissingsmodel klinkt dat irrationeel, maar vanuit een argumentatief oogpunt is dat verklaarbaar: we zoeken naar redenen om onze keuzes te verantwoorden jegens anderen.

Natuurlijk is zo’n instrumentele benadering van de rede een dubbelsnijdend zwaard. Anderen kunnen het ook tegen ons gebruiken. Als iedereen zich gedraagt als een advocate in de rechtszaal die vooral haar pleit wil winnen, kunnen we maar beter filters ontwikkelen voor wat men ons probeert wijs te maken. In de literatuur heet dat epistemische waakzaamheid. We beschermen ons tegen vormen van manipulatie die we op onze beurt ook zelf toepassen. Evolutie vertoont vaak dergelijke wapenwedlopen, waarbij strategische zetten en tegenzetten elkaar opvolgen. Op dat punt lijkt het toch dat de klassieke opvatting van rationaliteit langs een achterpoortje terug wordt binnengeleid. Want hoe maken we een onderscheid tussen iemand die ons voor zijn kar wil spannen, en iemand die echte redelijke gronden heeft voor wat hij ons probeert wijs te maken? Daar kunnen we maar beter een kritisch denkvermogen voor ontwikkelen, dat tegenstrijdigheden opspoort, argumenten tegen elkaar afweegt, informatie toetst aan onze achtergrondkennis, enzovoort. Natuurlijk zullen de meest gewiekste van onze tegenspelers daarop anticiperen, en zelf al rationele of quasi-rationele argumenten bedenken voor wat ze ons op de mouw willen spelden. En hetzelfde geldt voor ons, wanneer we anderen voor onze kar willen spannen. Geen wonder dat we zo’n groot brein met ons meezeulen.

Op 16 juni 2014 geeft Hugo Mercier een lezing in Gent, Blandijnberg 2, Auditorium A.

Why do humans reason?

Reasoning is generally seen as a means to improve knowledge and make better decisions. However, much evidence shows that reasoning often leads to epistemic distortions and poor decisions. This suggests that the function of reasoning should be rethought. Our hypothesis is that the function of reasoning is argumentative: to devise and evaluate arguments intended to persuade. A wide range of evidence in the psychology of reasoning and decision making and in social psychology can be reinterpreted and better explained in the light of this hypothesis.