vrijdag 26 september 2014

Durf zwenken – over schuinsfilosofeerders en (d)warsdenkers

(De Wereld Morgen - donderdag 12 januari 2012)

Aan de Gentse vakgroep wijsbegeerte woedt al enige tijd een debat over de vraag “Wat is wetenschap?”. Opvallend daarbij is dat geen van beide filosofische kampen stilstaat bij de denkbeweging – de discursieve geste – die ze vanuit hun eigen perspectief uitvoeren, maar in de plaats daarvan elk een eigen ruimte afbakenen waarbinnen de discussie kan gevoerd worden. Dit starre oppositiedenken sluit meteen de denkopeningen af waarlangs de filosofie aan zichzelf kan ontsnappen, en verraadt een ontegensprekelijk rechts discours.

“Wat is wetenschap”, vraagt de filosofie? Voor we die vraag beantwoorden, of willen beantwoorden, moeten we eerst weten vanuit welk antwoord ze kan gedacht worden, wie de vraagstellers zijn en met welke agenda zij die vraag nu opwerpen. Niet het antwoord, maar de vraag naar de vraag is fundamenteel, zo schrijft filosoof Anton Froeyman. Marc De Kesel licht de discussie op subtiele wijze uit de hengsels wanneer hij het heeft over de “vraag ALS VRAAG”. De filosofie weigert steeds aan de lokroep van de vraag – la question – gehoor te geven, omdat zij van nature het spoor volgt dat door een vraag in het denken wordt gegrift. Een filosofische vraag dient men zijlings te omspelen en in haar onontkoombare v(r)aagheid tegemoet te treden, overlangs de dwarssporen van het denken.

Filosofen als Braeckman en Boudry zetten zich echter angstvallig af tegen dit kromme denken, dit zwenkende denken dat korte bochten aandurft en zichzelf in schuinse pas tegemoet treedt. In een doorzichtig ideologisch manoeuvre trachten zij de plooien van het denken glad te strijken en wat krom gedacht is recht te trekken. Een ideologie die zichzelf miskent, is echter een rechtse ideologie. Links denken is bevrijdend, bevraagt haar eigen mogelijkheidsvoorwaarden en gaat voorbij de grenzen van wat “rationaliteit” en “waarheid” dicteren.

De scepsis, zo weten we sinds Alain Badiou, is het finale filosofische dogma, de laatste stuiptrekking van een hegemonie van het “weten”. Badiou toonde aan dat wetenschap ondergedetermineerd is omdat de gebeurtenis (l'événement) altijd zelf al modaliteiten in zich draagt die aan onze rationaliteit ontsnappen. Ook het rafelige denken van Lacan, waarover de filosoof Harry Frankfurt baanbrekend werk verrichte, laat zich niet opsluiten in simplistische categorieën. Lacan denkt niet zozeer, hij wordtveeleer gedacht (“çaparle”). Niet verwonderlijk zijn deze filosofen van de aporie, de denkers van de schuinse en sluikse blik, een bedreiging voor het sciëntistische discours van deze wetenschapsideologen. Enkel in de marges van het denken, waarin we met Jean Boudrillard onze zekerheden opschorten en de rationaliteit onverlet laten, kunnen we ons eigen savoirdesavoueren. Dat is wat Sigmund Freud ons geleerd heeft, en wat nog steeds weerstand oproept.

“Ir-rationeel” duidt op het in vraag stellen van wat voor rationeel doorgaat, het loslaten van de stilzwijgende en stilgezwegen assumptie, een gedurfd uitzwenken op het gladde ijs van de filosofie. Psychoanalyse, zoals Marc De Kesel terecht opmerkte, is een theorie die de plaats van het weten afzweert en haar bestaansrecht ontleent aan het onaflatende besef dat de mens nooit buiten zichzelf kan treden, dat we de vraag naar de dimensie die ons denken constitueert altijd onbeantwoord moeten laten. De noumenale wereld – het Reële bij Lacan – is slechts een schaduw die ons achtervolgt maar steeds weer ontglipt.

Braeckman en Boudry staren zich blind op drogredenen, maar beseffen niet dat elke reden in essentie als “drogreden” gedacht en ver-dacht kan worden, vermits ze haar eigen geldigheid legitimeert en zo een bepaald denkkader uitlijnt. De Joodse historicus Jacques Presser waarschuwde ooit dat "als het fascisme ooit terugkomt, dan zal het dat doen onder de naam anti-fascisme". De betrouwbare maar feilbare kennis waarop Braeckman en Boudry aanspraak maken, verhult eigenlijk een totalitair discours, dat alternatieve perspectieven beknot, de pas afsnijdt en monddood maakt.

Ook andere zogenaamde filosofen aan de Gentse vakgroep (Froeyman, De Langhe, Vanderbeeken) ontsnappen niet aan dit steriele dovemansdenken. Net omdat zij pretenderen boven de onverzoenbare perspectieven uit te stijgen, zitten zij zelf gevangen in een hermetisch oppositiedenken, waarbij niet langer de ruimte gaapt om op de eigen schreden terug te keren en het metaperspectief te bevragen. In het ongewisse over de vluchtpunten van hun eigen denken – daar waar het zich in de einder verknoopt met die van andere perspectieven – heulen ze onwillekeurig mee met het absolutisme van Braeckman en Boudry. Als men lang genoeg in een afgrond staart, zo wist Nietzsche, gaat de afgrond terugstaren. Wie de filosofie voor lief neemt, laat zich niet in met het abysmale boek van Braeckman en Boudry, dat de lezer vanuit diepe ideologische krochten lonkt.

Filosofie plaatst telkens opnieuw de legitimiteit van de kennisvraag tussen haakjes en onderzoekt de ruimte van waaruit een bepaald discours kan gedacht worden. Filosofie is een activiteit die zichzelf onophoudelijk moet her-bevragen en zich aan haar eigen gewichtloosheid opheffen. In Gent is de filosofie thans wars van dwars-denkers. In een vakgroep vol blinden en dubbelblinden is het kwaad zoeken naar een éénoog.

donderdag 25 september 2014

Loki’s Waagstuk

('Denkfouten' - Column Filosofie Magazine 2014/10)

De Noorse godheid Loki sloot ooit een weddenschap af met de dwergen. Indien hij verloor, mochten ze zijn hoofd afhakken. En waarachtig, Loki trok aan het kortste eind, en de dwergen haalden terstond hun bijl boven. Doch Loki maakte misbaar: hij had de dwergen zijn hoofd beloofd, maar zijn nek mochten ze onder geen beding aanraken. Een discussie ontspon zich tussen de terechtgestelde en zijn beulen: waar hield Loki’s hoofd op, en waar begon zijn nek? Volgens de overlevering is Loki nog steeds aan het filibusteren, met zowel hoofd en nek stevig op de romp.
Filosofische deskundigen in de argumentatieleer, macabere lieden als ze zijn, scharen zich aan de kant van de dwergen: het is niet omdat je de precieze grens tussen hoofd en hals niet kan bepalen, dat het onderscheid een illusie is. De Hartenkoningin in Alice in Wonderland, die geschillen steevast beslecht door hoofden af te hakken, zou het er roerend mee eens zijn. 
De drogreden van Loki – in het Walhalla berucht als gewiekste mooiprater – bega je als je een discussie lamlegt door te eisen dat elke gebezigde term eerst precies wordt vastgelegd. Liefst met de filosofische goudstandaard: een handvol noodzakelijke en voldoende voorwaarden. De houding klinkt redelijk, maar in de praktijk is het een vorm van conceptuele koudwatervrees die redelijke discussies belemmert. Soms moeten filosofen de duik wagen. Gaandeweg ontdek je hoe je termen invult, en hoe je ze eventueel kan verfijnen. 
Loki’s Waagstuk is verwant aan de Sorites-paradox: als je zandkorrel na zandkorrel bij elkaar gooit, vanaf wanneer heb je een ‘hoop’ zand? Eén enkele korrel volstaat niet. En van iets dat geen hoop is, kan je nooit een hoop maken door er een korrel bij te gooien. Ergo: er bestaan geen zandhopen. De Sorites-paradox wijst op het belang van vage concepten, en de vraag wanneer aan hun voorwaarden voldaan is, terwijl Loki’s drogreden gaat over de overgang tussen twee concepten. 
Dat er schemering bestaat, bewijst niet dat dag en nacht illusies zijn.  Loki’s Waagstuk, zo betoog ik in een hoofdstuk voor de bundel The Philosophy of Pseudoscience, heeft ook geleid tot de filosofische patstelling over het demarcatieprobleem. Als we wetenschap en pseudowetenschap niet preciés kunnen afbakenen, zo menen veel filosofen, dan mogen we het demarcatieproject meteen begraven. Wat immers met snaartheorie, evolutionaire psychologie, economie, kosmologie en andere randgevallen? 
Hier steekt Loki de kop op. Je kan net zo goed volhouden dat Loki geen hoofd heeft, omdat die naadloos overgaat in zijn nek. Met dat soort conceptuele onthoofding schieten we echter weinig op. De wereld is nu eenmaal vager dan we wensen.

dinsdag 23 september 2014

De sommeliers van de Heer

In mijn essay in Letter & Geest (17/09) betoogde ik dat het drieletterwoord ‘God’ door liberale theologen en spiritualisten langzaamaan is uitgehold. Enkel door het omhulsel te bewaren, houden ze de illusie in leven dat ze het allemaal au fond over hetzelfde hebben. Die dubbelzinnigheid is niet toevallig: hedendaagse theologie heeft enerzijds nood aan een uitgezuiverde en abstracte God voor het nodige intellectuele cachet, maar anderzijds aan de vertrouwde Schepper voor aansluiting bij religieuze tradities. Theologen moeten dus van twee walletjes eten.

In hun repliek in Trouw (20/09) erkennen theoloog Stefan Paas en filosoof Rik Peels dat het woord 'God' tegenwoordig zowat alles kan betekenen, maar dat lijkt hen niet te deren. De heren weten niet wie of wat God is, maar ze weten wél zeker dat hij bestaat.

In hun stuk is nergens een citaat of parafrase van mijn essay te vinden. Dat maakt het opvullen van de stromannen altijd wat makkelijker. Waar ze het halen dat ik discussies over God in het keurslijf van "wiskunde en logica" wil dwingen, is mij een raadsel (de termen komen niet eens voor in mijn tekst). Dat er welomlijnde christelijke credo's bestaan, weet ik natuurlijk ook wel. Mijn essay ging over postmodern godsgeloof, niet over de Niceaanse geloofsbelijdenis uit 325. Dat ik geen argumenten lever voor mijn overtuiging "dat Godsgeloof een illusie is", is niet verwonderlijk: mijn stuk gaat daar helemaal niet over. Je kan pas van een illusie spreken als je min of meer weet waarin je je vergist. Sommige ideeën echter, in de woorden van de fysicus Wolfgang Pauli, zijn "not even wrong".

De repliek van Paas & Peels levert daar een treffende illustratie van. De God waarvoor Paas & Peels het in hun boek lijken op te nemen - de bovennatuurlijke persoon met emoties en gedachten die mirakels verricht en gebeden verhoort - is hoogstwaarschijnlijk een illusie. Wanneer een theoloog als Paas echter in het nauw wordt gedreven over de meer absurde aspecten van zijn geloof, zoals de idee van een goddelijke voelhoorn in zijn brein die hem onfeilbare kennis over God doorseint (zie onze woordenwisseling op de site Liberales), dan verschanst hij zich achter dikke theologische traktaten als The Experience of God van David Bentley Hart, waarin naïeve atheïsten als ik zich toch eens dringend zouden moeten verdiepen. Uitgerekend dat boek, zo betoogde ik in mijn essay, is een woordensoep van ijle abstracties over ‘G-o-d’ als Grond van het Zijn, die zich net expliciet afzet tegen de antropomorfe persoon waaraan Paas geloof hecht. De vraag rijst dan: waarin geloven Paas & Peels eigenlijk? Weten ze het zelf nog wel?

Paas & Peels vergelijken praten over God met proeven van een goede wijn. Psychologisch onderzoek over wijnproeverij toont aan dat ze gelijk hebben. Moderne theologen zijn als die sommeliers die een goedkoop Portugees tafelwijntje de hemel in prijzen, zolang er maar een Premier Cru Supérieur etiket op prijkt (door slinkse psychologen erop gekleefd). Een Zijnsgrond, een Telos, het Noodzakelijk Absolute, de Liefde, de Wetten van de Kosmos, een Wereld in Wording -- zolang we het etiket 'God' op zo'n lettersoep plakken, beginnnen theologen al te watertanden.

donderdag 18 september 2014

Het magische drieletterwoord

(Letter & Geest - 13/09/2014)
Er is iets merkwaardigs aan de hand met ‘God’. Niet met de Heere zelve, maar met zijn naam. De naam van Hij die is wie Hij is, zoals hij het zelf vanuit de brandende braamstruik verkondigde. In mei redetwistten sterrenkundige Peter Barthel en theoloog Kees van der Kooi in deze krant  over wie God is, en of Hij al dan niet bestaat, naar aanleiding van de vraag van de zevenjarige Anco aan de Groningse Universiteit of God bestaat.
Maar zijn we het wel eens over wie of wat we bedoelen met ‘God’? Een welomschreven vraag zoals ‘Bestaan zwarte gaten?’ leent zich tot een zinvol meningsverschil. Bij hedendaagse discussies over het drieletterwoord g-o-d ligt dat minder voor de hand.
Een consensus over de aard van God lijkt niet langer de kern van de zaak. Hoofredacteur van deze krant Cees van der Laan liet in juni duizend bloemen bloeien toen hij in zijn Brief van de hoofdredactie schreef: ‘Iedereen maakt zijn of haar eigen godsbeeld. Dat kan inderdaad voor de één de man met de witte baard zijn en voor de ander de symbolisering van liefde of vriendschap.’ Maar als iedereen het woord ‘God’ op zijn eigen manier invult, is de vraag naar zijn bestaan dan nog zinvol?
Filosofie, zo schreef Ludwig Wittgenstein, is een strijd tegen de beheksing van ons verstand door de taal. Woorden hebben magische krachten. Dat gaf Wittgenstein zelf pas toe, met knarsende tanden, toen zijn eigen project om de verhouding tussen de taal en de wereld uit
te zuiveren – de ‘Tractatus Logico-Philosophicus’ – grandioos mislukte. De klassieke opvatting van taal beschouwt woorden als etiketten die we op de dingen kleven. Sommige dingen zijn tastbaar en afgelijnd, zodat we ze kunnen aanwijzen of er een naambordje voor zetten (een tafel, een hond); andere zijn ingewikkelder en abstracter (schilderkunst, democratie). Die benaderen we aan de hand van definities of voorbeelden.
Overwerk
De verhouding tot een woord en het ding in de wereld waarnaar het verwijst, is eigenlijk willekeurig, zo leerde de taalkundige Ferdinand de Saussure. De betekenis van woorden is een kwestie van conventies. Als we morgen besluiten om de woorden ‘tafel’ en ‘stoel’ om te wisselen, hoeven we ons meubilair niet overhoop te halen. ‘That which we call a rose / By any other name would smell as sweet’, zo verzuchtte Juliet tegen Romeo. Behalve, zo voegde de grote filosoof Homer Simpson eraan toe, als we ze ‘stinkbloesem’ zouden dopen.
Woorden als ‘zetel’ en ‘stoel’ zijn inwisselbaar omdat we hun betekenis op heldere wijze manier kunnen vastleggen. Dat kan door een omschrijving te geven van een tafel, of een aantal objecten aan te wijzen waarop we het woord ‘zetel’ toepassen. Of door het woord in de praktijk te gebruiken (‘Oh, dat bedoelen jullie Vlamingen met een zetel!’).
Met een woord als ‘God’ ligt dat lastiger. Voor de ene persoon verwijst het naar een bovennatuurlijk wezen met menselijke emoties en gedachten. Anderen beschouwen ‘God’ als de naam van een onpersoonlijke kracht die de wereld stuurt en vormgeeft, of als een metafoor, een verpersoonlijking van het goede tussen mensen. Of een naam voor het Mysterie van het bestaan. ‘God bestaat niet, hij gebeurt’, zoals Klaas Hendrikse schreef. Voor nog anderen duiden dezelfde drie letters de Grond van het Zijn aan, een soort metafysisch grondbeginsel. Voor de één is een wereld zonder God op zijn minst denkbaar, voor de ander bestaat God per definitie noodzakelijk. Is God immanent in de wereld, overstijgt hij de werkelijkheid, of valt hij ermee samen? Zijn er meerdere wezens denkbaar die aan het woord ‘God’ beantwoorden, of is dat strijdig met de definitie?
In Lewis Carrolls ‘Through the Looking Glass’ vertelt het sprekende ei Humpty Dumpty een verhaal aan Alice, waarin hij het woord ‘glory’ plots in een totaal bizarre context gebruikt. In de heerlijk absurde spraakverwarring die daarop volgt, oppert de heldin dat Humpty Dumpty niet zomaar aan de haal kan gaan met een woord. Maar het koppige ei laat zich niet vermurwen en snoeft: ‘Als ik een woord gebruik, dan betekent het precies wat ik verkies – niet meer en niet minder.’ Maar hoe kan je met één woord zoveel uiteenlopende zaken aanduiden?, vraagt de verbaasde Alice zich af. ‘Als ik een woord zo hard laat werken’, aldus Humpty Dumpty, ‘betaal ik het altijd wat extra.’
Waarom laten we het woord ‘God’ zich zo uitsloven? Waarom bedenken we geen afzonderlijke woord om de Grond van het Zijn aan te duiden (wat dat ook moge zijn)? En hadden we al geen woorden voor liefde, de wetten van de kosmos, of een spiritueel gevoel van eenwording? Met een dergelijk semantisch kluwen kan de traditionele opvatting van taal moeilijk overweg. Een hele waaier aan verschillende dingen met één woord benoemen, lijkt vooral verwarring te zaaien.
Etiketten kleven
Doorgaans zijn we niet verknocht aan de woorden in onze taal, zelfs als hun betekenis vaag en dubbelzinnig is. Is de amandel een noot? Niet volgens plantkundigen, wel volgens koks. Zijn de dinosauriërs uitgestorven op het einde van het Krijt? Niet als je de vogels meerekent, volgens evolutiebiologen. De betekenis van die woorden hangt af van de context waarin we ze gebruiken. In zoverre spraakverwarring dreigt, kunnen we ons gebruik van een term verhelderen, en ons gemakkelijk schikken naar een andere definitie. Bijvoorbeeld: als we overeenkomen dat vogels ook tot de dinosauriërs behoren, dan klopt het niet langer dat de dinosauriërs zijn uitgestorven op het einde van het Krijt. Dat is een loutere conventie: je wekt er geen diplo­docus mee tot leven. Bij woorden als ‘tafel’ en ‘dinosaurus’ staat de wereld voorop – onze woorden zijn slechts instrumenten om er greep op te krijgen.
Is God dan dood, of ligt het eraan wat we met God benoemen, zoals bij de dinosauriërs? To be or not to be, de vraag die Hamlet zich stelde, zou ook God kunnen overvallen, indien hij boeken van liberale theologen zou openslaan. Ooit was zijn bestaan het sluitstuk van het zogenaamde ‘ontologische godsbewijs’: een wezen dat niet bestaat, is minder perfect dan een wezen dat wel bestaat. Daarom moet het meest sublieme en volmaakt denkbare wezen noodzakelijk bestaan. Anders zou het tekortschieten. Dat wezen noemen we per definitie ‘God’.
In de procestheologie van Teilhard de Chardin en Alfred N. Whitehead is God niet langer onveranderlijk en tijdloos, maar eerder een wezen-in-wording. Bij theologen als Paul Tillich komt zijn bestaan helemaal op de helling te staan. Of althans in de gebruikelijke zin van het woord. God bestaat niet, maar is het Zijn zelve. De Oosters-Orthodoxe theoloog David Bentley Hart heeft deze godsopvatting verder uitgezuiverd in zijn ‘The Experience of God’ (2013). Dat werk, in The Guardian gelauwerd als ‘het ene boek dat alle atheïsten écht moeten lezen’, heeft een erg bescheiden opzet, naar Harts eigen zeggen: uitleggen wat het woord ‘God’ betekent. Dat is hoognodig, aldus Hart, want het gekrakeel tussen atheïsten en gelovigen is vandaag in een totaal dovemansgesprek ontaard. De nieuwe lichting atheïsten staart zich blind op infantiele godsbeelden waar niemand nog geloof aan hecht. Dat partijtje schaduwboksen moet ophouden.
Die belofte kan hij helaas niet inlossen. Op het einde van zijn boek, dat vooral toch een schotschrift is tegen het nieuwe atheïsme van Richard Dawkins en consorten, blijft de God van Hart in nevelen gehuld. Hart noemt hem de ‘Grond van alle Zijn’, de ‘Fontein van het Actuele’, het ‘Absolute waarop al het Contingente is gevestigd’. God ‘bestaat’ niet in de eigenlijke zin van het woord, zoals Tillich schreef. God is ‘Voorbij het Zijn, doch tezelfdertijd is hij het Zijn zelf’. God is de grondende oorzaak (causa in esse) van alle zijnden, die zijn Oneindige Actualiteit in de zijnden uitstort.
Deze lettersoep van scholastische begrippen en superlatieven – absoluut en primordiaal en ultiem en oneindig – is mij in ieder geval volstrekt duister. Ze doet me denken aan een abstract – een samenvatting van een academisch artikel – dat ik ooit bij een conferentie in de Gereformeerde Wijsbegeerte aan de VU Amsterdam heb ingediend, onder de schuilnaam Robert A. Maundy. De tekst was pure woordenkramerij, maar werd niettemin prompt aanvaard en opgenomen in de congresbundel. Ook daar gebruikte ik holle zinsneden als ‘de ultieme orde die zich ontvouwt in het nog-niet-Zijn’ en ‘de gesitueerdheid van het totale Zijn eerder dan het Een-Zijn’.
Blijkbaar begrijpen theologen hun eigen woordenbrij niet meer. Maar wat is het punt dan van theologie? Hart blijft het naamwoord God gebruiken, zodat zijn lezers onwillekeurig echo’s opvangen van duizenden jaren religieuze geschiedenis. Door de plastische metaforen (uitstorten, schenken, ondersteunen) schemeren oude godsbeelden. Indien liberale theologen helemaal wilden breken met de antropomorfe persoon die gelovigen al duizenden jaren vereren, dan zouden ze de term overboord gooien. Of zich duidelijk distantiëren van de menselijke God, in plaats van enkel te zeggen dat God geen ‘man met een witte baard is’ (dat weten we inmiddels wel). Maar dat doen ze niet.
Ook Hart zelf is niet helemaal losgeweekt van die oude godsbeelden. Niet alleen blijft hij de Grond van het Zijn als een manspersoon aanspreken, hij werpt atheïsten ook toe dat zij, willen ze een zinvolle bijdrage leveren aan het debat, eerst ‘op hun knieën moeten vallen en bidden tot God’ om de goddelijke Genade te ontvangen. Maar hoe spreek je de Grond van het Zijn aan? Welke beleefdheidsvormen hanteer je bij het oneindige Absolute waarvan eenieders contingente bestaan afhangt? Gelooft Hart, als oosters-orthodoxe gelovige, eigenlijk in de opstanding van Christus, de maagdelijke conceptie, de zondeval? Hoe wordt de Grond van het Zijn precies vlees en bloed?
De goddelijke erfenis
Liberale theologen weten dat de traditionele God – een machtige persoon met gedachten en gevoelens die in de wereld kan ingrijpen – door het voortschrijdende inzicht van wetenschap en rede op de helling is geplaatst. Niemand vond overigens een oplossing voor de paradoxen die Gods oneindige attributen in zich herbergen. Blijkbaar zijn theologen daarom bereid om enkele attributen van God prijs te geven. Misschien verhoort hij geen gebeden, heeft hij zichzelf niet geïncarneerd, of heeft hij de wereld niet tot stand gebracht in een enkele scheppingsdaad, inbegrepen alle levende wezens in hun huidige vorm (zoals creationisten geloven). Misschien is hij niet echt mannelijk, staat hij niet echt buiten de werkelijkheid, en is hij zelfs geen persoon in de gebruikelijke betekenis.
Die abstracte en uitgeklede God is echter voor weinig gewone gelovigen bevredigend. Naarmate het gebenedijde drieletterwoord zich verder verwijdert van de menselijke God, wordt het voor de doorsnee-gelovige (en wellicht ook voor theologen) intuïtief minder verteerbaar. Hoe bid je tot de Grond van het Zijn? De antropoloog Pascal Boyer noemde dat de ‘tragedie van de theoloog’: de intellectualistische versie van God, ontdaan van alle menselijke trekjes, zal nooit op een grote aanhang kunnen rekenen.
Postmoderne discussies over het bestaan van God lijken vaak op een geschil over een erfenis. Wie komt het rechtmatige gebruik van het woord ‘God’ toe? De oude ‘God’ is dood, maar wie of wat staat in zijn testament? Sommige theologen geven meer terrein prijs dan andere. De een zijn dogma is de andere zijn metafoor. Indien theologie een ernstige wetenschap was, zou ze ‘God’ opofferen op het altaar van de taalzuiverheid. In de plaats daarvan is theologie, ooit geroemd als de Koningin van de wetenschappen, eigenlijk als een partijtje tennis waarbij het net is neergehaald, zoals de filosoof Ronald de Sousa opmerkte. Iedereen mept maar wat.
Religie leeft op gespannen voet met wetenschap, maar de spanning tussen een abstracte en menselijke God, tussen de Goede Vader en de Zijnsgrond, is ouder dan de intrede van wetenschap. Dat zo’n geschil zal beslecht worden met betere analyses en zorgvuldiger taalgebruik, is dan ook ijdele hoop. Het getouwtrek rond de drie letters is uitzichtloos, omdat ze wezenlijk onderdeel uitmaken van het religieuze systeem.
De theïstische God lijkt soms op de Romeinse godheid Janus. Zijn ene gelaat is intellectueel verfijnd maar weinig aanlokkelijk: dat zijn de ijle abstracties waarmee theologen zich vermeien. Zijn andere gezicht is vertrouwd en menselijk, maar hopeloos achterhaald. De intellectualistische God biedt beschutting tegen intellectueel weerwerk van ongelovigen, maar de navelstreng met de menselijke God wordt nooit helemaal doorgeknipt. Niet toevallig is het boek van David Bently Hart, in weerwil van de titel, eigenlijk gericht tegen al die atheïstische filistijnen die niets van religie begrepen hebben, en die zich blindstaren op het menselijke gelaat van God. Op die manier kan Hart alle atheïstische argumenten rustig naast zich neerleggen.
Als Hart echt een meer verfijnde opvatting van God wil verdedigen, waarom stelt hij dan geen orde op zaken in zijn eigen Orthodox-Christelijk kerk? Waarom maakt hij zijn medegelovigen niet duidelijk dat de God waarin zij geloven, die mirakelen verricht en gebeden verhoort, hopeloos naïef is, en dat zijn eigen Grond van het Zijn de enige juiste godsconceptie is? Waarom schept hij geen duidelijkheid over de heropstanding der doden, de incarnatie van God in Jezus?
Theologie bestaat bij gratie van de spanning tussen de menselijke en de ontmenselijkte God. Zoals de vrouw van Lot in de Bijbel, kan zij niet aan de verleiding weerstaan om achterom te kijken, zoals de filosoof Robert McCauley schreef.
Magische woorden
Veel religies belijden een geloof in de magische kracht van woorden. Orthodoxe Joden spreken de naam van hun God (JHWH) niet uit, maar gebruiken aanspreektitels en superlatieven. De evangelist Johannes, geïnspireerd door de Griekse filosofie, geloofde in de scheppende kracht van het woord, en vereenzelvigt God zelfs met de Logos. Baby’s die nog niet gedoopt werden, zo wil het volksgeloof, riskeren verwisseld te worden door kinderen van elfen of trollen. Een naam biedt bescherming. En wie andermans naam kent, kan die persoon ook kwaad berokkenen, zoals wanneer de Haïtiaanse voodoo-priester een kwade vloek uitspreekt. In het sprookje Repelsteeltje moet de molenaarsdochter haar eerstgeboren kind aan een boze kobold afstaan, tenzij ze diens naam binnen de drie dagen kan raden. Wanneer ze daar op de laatste nacht toch in slaagt, begint de ontmaskerde dwerg zo razend te stampvoeten dat hij zijn eigen lichaam doormidden scheurt. Wie iemands naam kent, heeft die persoon in haar macht.
Natuurlijk hebben woorden geen echte magische krachten, maar toch kan taal ons beheksen, zoals Wittgenstein begreep. In de wijze waarop we een woord als ‘God’ gebruiken, weerklinken echo’s van het geloof dat woorden niet zomaar willekeurige etiketten zijn, maar de magische essentie van persoon of ding in de wereld bevatten. Woorden leiden een eigen leven. De spreidstand van de liberale theoloog en de spirituele ietsist vindt zijn oorsprong in de magie van taal. Door het woord God zorgvuldig uit te schrapen, maar wel het lege omhulsel te behouden, ontstaat een illusie van eenheid in menigvuldigheid. In werkelijkheid hebben abstracte God en zijn aardse evenknie geen uitstaans met elkaar, behalve hun naam: een navelstreng van drie letters. Dat is de magie van taal. Door verschillende zaken met één term te benoemen, scheppen we de zinsbegoocheling dat we het ten gronde over hetzelfde hebben. ‘God’ is een semantisch vlaggetje dat we ergens in onze denkruimte neerpoten. Waar we het plaatsen, is minder belangrijk dan dat we het ergens plaatsen. Bestaat God? Nou, het ligt eraan. De vraag lijkt eerder: hoe ver kunnen we de definitie van ‘God’ oprekken en vervormen, zodat we aan ‘Zijn’ bestaan kunnen blijven vasthouden? Als u me even toestaat om de beginzin van het evangelie volgens Johannes uit de context te rukken: ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God’.

Dat maakt vele discussies over ‘God’ inderdaad zinloos. Doe maar eens de proef op de som, als u een theoloog of moderne spiritualist over God bezig hoort. Probeer het woord ‘God’ met een ander woord in te wisselen, en stel u de vraag of de discussie nog steek houdt. God is wellicht dood, maar ‘God’ is onsterfelijk.

woensdag 17 september 2014

Een verhit islamdebat is beter dan geen debat

(De Morgen - 17/09/14)

Beste briefschrijvers,

Bedankt voor uw antwoorden. Ik vind het een goede zaak dat wij in deze pagina's openlijk van gedachten konden wisselen over de islam. Dat zou niet overal ter wereld lukken. De bijwijlen bitsige toon ("wild geraas", "fanatiek," "salafist") neem ik erbij. Een verhit debat is beter dan geen debat.

Laat ik me eerst richten tot Dyab Abou Jahjah, die de langste en meest onderbouwde kritiek op mijn open brief schreef. U en ik delen onze bezorgdheid over het salafisme, de voedingsbodem voor de gewelddadige jihad die zich in Syrië en Irak voltrekt. Net zoals ik, pleit u voor een historische en contextuele benadering van de Koran en de Hadith. Daar hebben wij een gedeelde grond.

De ironie van uw stuk is dat u haatproza uit het Oude en Nieuwe Testament citeert om een "radicale atheïst" op betere gedachten te brengen. In mijn oorspronkelijke brief schreef ik echter zelf dat alle monotheïsmen aanknopingspunten bevatten voor geweld, en dat de Torah de steniging voor ongelovigen zoals ik voorschrijft (toch één punt waarop alle heilige boeken het roerend eens zijn). U hoeft een "radicale atheïst" niet te overtuigen van de wreedheid van (andere) heilige boeken, en al zeker niet van hun vrouwonvriendelijkheid, waar mijn brief niet eens over ging. 

U noemt mij echter "islamofoob". Mocht Bert Anciaux zijn absurde wetsvoorstel doorgedrukt hebben, had u me bij deze beschuldigd van een strafbaar misdrijf. De term "islamofobie" is een holle frase, bedacht door de salafisten die u naar eigen zeggen verguist, om religiekritiek de mond te snoeren.

Op naar de kern van de zaak: ben ik veel minder welwillend voor de Koran dan voor de Bijbel? Heilige Boeken blinken uit in tegenstrijdigheden. Iedereen kan er de kers in plukken waarnaar hij op zoek is, en de rest van de fruitmand negeren. Daarom deed ik dat niet in mijn brief. De IS-kalief Abu Bakr Al Baghdadi, met zijn doctoraatstitel in de islamologie aan de universiteit van Baghdad, kan bijvoorbeeld verwijzen naar Soera 8:12 ("Houwt dan in op hun nekken [van de ongelovigen] en houwt hen op al hun vingers"), terwijl een apologeet als u kan verwijzen naar een vers waarin de christenen in leven worden gelaten, en enkel het juk van religieuze apartheid moeten dragen, middels een speciale christentaks (tenzij de onverlaten weigeren, waarna alsnog oorlog).

Met zo'n exegetische kersenpluk schieten we weinig op, zoals Björn Siffer opmerkt. Wanneer we de invloed van een Heilige Tekst willen inschatten, moeten we de kernboodschap en de algemene teneur van het hele boek achterhalen. Waaraan wordt het meest aandacht besteed? Wat is een terloopse passus, en wat wordt uitentreuren en ondubbelzinnig herhaald? In plaats van mijn eigen kersen te plukken, haalde ik in mijn brief een numeriek argument aan: 164 verzen in de Koran roepen op tot jihad , en meer dan 120 verzen - een zeer conservatieve schatting - behandelen de gruwelijke misdaad en verderfelijkheid van de ongelovigen. Dat argument negeert u volkomen, net zoals mijn punt over het letterlijke woord van God (Koran) versus de goddelijke inspiratie (Bijbel). 

Dat uitgerekend u als culturele moslim en agnost volhoudt dat gelovigen moeten "terugkeren" naar de Koran en het boek "centraal plaatsen in de theologie", vind ik verbazingwekkend. Dat u die haatverzen blijft vergoelijken, en zonodig wil bewijzen dat het Nieuwe Testament oorlogszuchtiger is dan de Koran, in weerwil van elke onbevangen lezing, kan ik nog minder bevatten. Wij zijn dan wel ongelovig, maar toch niet ongeletterd?

Ben ik dan een islamofoob, die andere religies ontziet? Misschien kan dit argument u van het tegendeel overtuigen: indien ik mijn stuk 150 jaar geleden had geschreven, in volle Amerikaanse Burgerloog, dan had de titel als volgt kunnen luiden: "Beste gematigde christenen: wie zich op de goddelijke autoriteit van de Bijbel beroept om de slavernij af te wijzen, wacht op het schaakmat door de slavendrijvers". Zoals de dominee en slavendrijver Richard Fuller het samenvatte in 1845: "Wat God bekrachtigt in het Oude Testament, en toelaat in het Nieuwe Testament, kan geen zonde zijn." Daar valt, als je de Bijbel als Woord van God opvat, geen speld tussen te krijgen, spijts de nobele intenties van vele christelijke tegenstanders van slavernij. Niet toevallig stonden talloze traktaten tegen slavernij op de verboden Index van het Vaticaan.

Gelukkig nemen de meeste christenen - althans in deze contreien - de Bijbel ondertussen met een grove korrel zout, en zoeken ze de kernboodschap elders, zoals in de Bergrede van Jezus zelf. Doen de meeste moslims dat vandaag ook?

Volgens u neem ik het salafisme als referentiepunt van de islam, terwijl die slechts "een druppel in een oceaan van exegese is". Maar waarom blijft u zo vaag over die zogenaamde "mainstreamtheologie" die het principe van de abrogatie (naskh) afzweert, waardoor latere haatverzen primeren op eerdere en vredelievende? In het rationalisme van de Mu'tazilieten gebeurt dat inderdaad, en dat juich ik toe, maar u weet dat die wereldwijd slechts een kleine minderheid vormen. Zowel soennieten als sjiieten aanvaarden de abrogatie. Khalid El Jafoufi verwijt mij op zijn website enkel dat ik ze verkeerd toepas, niet dat ze achterhaald is.

Laat ons harde feiten analyseren, in plaats van impressies over de dominantie en relevantie van verschillende stromingen. In 17 van de 23 landen waar de vraag werd voorgelegd, zo blijkt uit een peiling van het gerespecteerde Pew-instituut, beschouwt een meerderheid van moslims de sharia - gebaseerd op de Koran en de Sunnah - als het geopenbaarde woord van God, waaraan niet valt te tornen. De Caïro-verklaring van 1990, ondertekend door 45 moslimlanden, maakt de Mensenrechten ondergeschikt aan die sharia. Dat leidt tot zorgwekkende cijfers: in Egypte bijvoorbeeld verklaart 84% van de moslims zich voorstander van de doodstraf voor afvalligheid. Zou het kunnen dat de letterlijke lezing van die geschriften nog veel wijder verbreid is dan u laat uitschijnen, en dan wij beiden hopen?

Merijn Oudenampsen neemt aanstoot aan mijn aanspreektitel "gematigde moslims". Daarover heb ik getwijfeld, omdat ze inderdaad bij voorbaat lijkt aan te nemen dat de islam behoefte heeft aan matiging, en dus in zuivere dosis onverteerbaar is. Maar uiteindelijk vond ik geen beter alternatief. Ik wou me richten tot de vreedzame moslims die de democratische rechtstaat aanvaarden, niet de fundamentalisten. Hebt u een betere aanspreektitel, meneer Oudenampsen? "Beste moslim" dekt de lading niet, want ook radicale salafisten en wahabbisten zijn moslims.

Mijn meningsverschil met Merijn Oudenampsen, die me eveneens als een gevaarlijke radicale atheïst beschouwt, berust op één fundamenteel misverstand: er is een hemelsbreed verschil tussen een "pleidooi" voor een haatdragende lezing van de Koran, waar geen haar op mijn hoofd aan denkt, en de waarschuwing dat zo'n haatdragende lezing de facto de meest voor de hand liggende en consistente interpretatie is die zich aan de onbevangen lezer van zo'n boek opdringt. Bijvoorbeeld een kwetsbare jongere die zo'n boek openslaat, op instigatie van een haatprediker op straat.

Natuurlijk juich ik vredelievende interpretaties toe, maar tezelfdertijd moeten we durven erkennen dat het boek zelf zo'n interpretaties enorm bemoeilijkt. Niet elke lezing is even geloofwaardig. Bijvoorbeeld: als de Koran 120 keer zegt dat ongelovigen voor eeuwig zullen branden in de hel, inclusief obscene beschrijvingen van de folteringen die ze zullen ondergaan, dan is de interpretatie dat God gewoon een hartig gesprek met hen zal voeren (misschien het metaforische 'vuur aan de schenen'?), niet zo waarschijnlijk. Van een Opperwezen mag je toch verwachten dat hij zich min of meer helder kan uitdrukken. Woorden zijn niet weerloos. We kunnen niet verwachten dat iedereen in de voetsporen treedt van Humpty Dumpty, het sprekende ei uit Alice through the Looking Glass, dat stelt dat je woorden eender wat kan laten betekenen, als je ze maar wat extra fooi geeft.

Khalid El Jafoufi, ten slotte, schrijft dat het "vreedzame karakter" van de islam "niet te betwisten valt" en roept op: "ik eis een genuanceerd debat". Die uitspraak is zoiets als de zinsnede: "ik dwing u vrij te zijn". Voor een oproep tot zorgvuldige exegese, vind ik uw lezing van mijn brief bedroevend. Nergens heb ik moslims die zich weigeren te distantiëren van IS, op "gelijke voet gezet" met IS-strijders. Hoogstens vind ik dat het van een onbegrijpelijke onwil getuigt. In het dossier in Humo zijn het moslims zelf - ouders van Syrië-strijders - die hun Moslimexecutieve verwijten dat ze veel te lang gedraald heeft om afstand te nemen van het jihadisme. 

Voor mensen die hun kind verloren aan een religieuze sekte, kan ik daar alle begrip voor opbrengen. Die duidelijke veroordeling en afstandname moet u niet doen ter wille van atheïsten zoals ik, maar ter wille van uw eigen gemeenschap, die met groeiende argwaan bekeken wordt omdat een radicale minderheid het voor hen verziekt. Een imam als Nordine Taouil begrijpt dat, u kennelijk niet.

Nergens "ontneem" ik moslims het recht om de Koran te interpreteren. Iedereen heeft het recht om eender wat te lezen in een Heilige Tekst. Ik deed een beleefde oproep in het kader van onze gezamenlijke strijd tegen het jihadisme, meer niet. En uiteraard heb ik als atheïst geen angst voor de hel, zoals u zich verbeeldt, hoogstens voor mensen die vinden dat eeuwige foltering een dik verdiende straf is voor atheïsten, zoals een slordige 120 keer staat te lezen in de Koran.

Als klap op de vuurpijl haalt u een Koranvers boven dat de vrome moslim waarschuwt voor ongelovigen zoals ik die hen van het rechte pad willen afleiden, en dat oproept hen vooral niet te vriend te houden. In mijn doctoraat noem ik zo'n argumenten 'immunisatiestrategieën': interne mechanismen die het geloofssysteem indekken tegen kritiek en weerleggingen. De Koran staat er vol van. Merkwaardig overigens dat dat vers plots wel letterlijk wil zeggen wat het lijkt te zeggen, en de 164 jihad-verzen kennelijk niet. Met die houding zal u de strijd tegen de jihadi's niet winnen.

Met vriendelijke groet,

Maarten Boudry

zaterdag 13 september 2014

Open brief aan gematigde moslims

(De Morgen - 13/09/14, 06u00)

Beste gematigde moslim,

Ik richt me tot mensen zoals u die een vreedzame en tolerante versie van de islam belijden. Die hun godsdienst niet aan anderen willen opleggen, en bereid zijn om samen te leven met christenen, atheïsten, hindoes en joden. Die de principes van de seculiere en democratische rechtsstaat aanvaarden: de scheiding tussen kerk en staat, de fundamentele rechten van de mens en de vrije meningsuiting.

Net zoals wij allemaal kijkt u met afschuw en met lede ogen naar wat zich momenteel in Irak en Syrië afspeelt. Die gruwel is voor u misschien nog verontrustender omdat ze in naam van uw god wordt uitgevoerd. Toch hebt u geen enkele affiniteit met deze barbarij. Wellicht bent u daarom opgelucht dat de Moslimexecutieve zich eindelijk heeft gedistantieerd van IS en andere jihadistische groeperingen.

Hopelijk zullen meer vooraanstaande moslims hen bijtreden, en zwichten ze niet langer voor de intimidatie van radicale elementen in uw gemeenschap, die een openlijke distantiëring van IS als een vorm van verraad en afvalligheid beschouwen. In Nederland hebben imams een offensief opgezet tegen IS. In Groot-Brittannië hebben islamgeleerden een fatwah uitgesproken.

Sluipend gif
Dergelijke krachtige signalen zijn broodnodig. Steeds meer jongeren worden verleid door de lokroep van het islamitische kalifaat. De schattingen lopen uiteen, maar we weten dat minstens 200 Belgische moslims naar Syrië en Irak zijn getrokken. De grote meerderheid, zo wordt steeds duidelijker, heeft zich aangesloten bij IS of Jabhat al Nusra. Van sommigen weten we dat ze gruwelijke misdaden hebben begaan.

Misschien kent u ouders die hun zoon of dochter zagen vertrekken naar Syrië of Irak. Misschien bent u er zelf één van. De interviews met deze radeloze ouders zijn vaak hartverscheurend. Machteloos moesten zij toezien hoe hun kinderen zich opsloten in een sektarisch denksysteem. Op een dag keerden ze hen genadeloos de rug toe, met de boodschap dat ze nooit zouden terugkeren.

Op de koop toe worden deze ouders zelf vaak met de vinger gewezen: het zal wel aan een slechte opvoeding liggen. Of ze hadden de radicalisering eerder moeten opsporen. Dat is harteloos. Vaak komen die jongeren uit warme gezinnen en genoten ze de beste opvoeding.

De ideologie van het jihadisme is een sluipend gif. Eens besmet, is het bijzonder moeilijk om door het pantser heen te breken.

Er is echter een heikele kwestie die ik bij u wil aankaarten. Net zoals wij allemaal, hebt u de grootste afschuw voor de praktijken van IS. De woordvoerders van uw gemeenschap moeten een dergelijk fanatisme in niet mis te verstane bewoordingen veroordelen, en zij hebben dat ondertussen dan ook gedaan.

Vaak voegen zij daar echter aan toe dat de barbarij van IS 'niets met de islam' te maken heeft. De haat tegen ongelovigen, zo verzekeren zij ons, heeft geen enkele basis in de Koran of de Hadith. Aan de hand van Koranverzen pogen zij aan te tonen dat de ware islam vredelievend en verdraagzaam is, en respect predikt voor andersgelovigen. Een ontredderde vader die zijn dochter als jihadbruid naar Syrië zag vertrekken, nam zich voor om haar, zodra hij erin slaagt haar terug naar België te halen, meteen naar een koranschool te sturen, om haar te tonen dat het heilige boek geen enkele basis biedt voor de barbarij van IS.

Haatverzen
Mijn smeekbede: doe dat niet. Als u zich op de autoriteit van Koranverzen beroept om IS te veroordelen, deelt u het uitgangspunt van hen die u bestrijdt. U speelt niet alleen op het schaakbord van de jihadi's, met hun spelregels, het is alsof u zichzelf drie pionnen toebedeelt en uw tegenstander tien koninginnen. Waarom is dat zo?

Elk heilig boek uit de traditie van Abraham en Mozes bevat aanknopingspunten voor geweld en onverdraagzaamheid tegenover andersgelovigen. In de joodse Bijbel al worden afvalligen veroordeeld tot steniging.

De Koran is nog een stuk problematischer, zo gebiedt de eerlijkheid ons te erkennen, omdat ze veelvuldige, rechtlijnige en directe aansporingen tot haat en geweld bevat. Daarnaast wordt de Koran, meer dan de Bijbel en de Torah, door moslims als het letterlijke woord van God opgevat, eerder dan geïnspireerd door God.

De vreedzame verzen waarop u zich vaak beroept, zoals dat er geen dwang is in religie (soera 2:256) en dat wie een mens doodt de hele mensheid doodt (soera 5:32) zijn met de vingers van één hand te tellen en worden vaak tenietgedaan door latere verzen van haat, volgens het principe van de abrogatie (naskh), dat op zijn beurt in de Koran zelf staat. Op bijna elke pagina van de Koran, en ook in de Hadith, wordt opgeroepen tot haat tegen ongelovigen.

Gelooft u dat mensen als ik, omdat ze niet in Allah geloven, een onvergeeflijke misdaad begaan, en alleen al daarom - ongeacht hun levenswandel - voor eeuwig moeten branden in de hel? Gelooft u dat dat een rechtvaardige straf is? Nee, dat gelooft u niet. Ik weet dat u andersgelovigen als medemensen respecteert en liever vreedzaam met hen samenleeft. Niettemin wordt de eeuwige foltering voor ongelovigen meer dan 120 keer herhaald in het boek waaraan u lippendienst bewijst als het woord van God, misschien zonder het (helemaal) gelezen te hebben (92 van de 114 soera's handelen erover). Datzelfde boek verbiedt u ook om vriendschappen met ongelovigen te sluiten, en wijdt 164 verzen aan de jihad, de heilige strijd tegen niet-moslims.

Evangelische christenen geloven op hun beurt dan weer dat zowel u als ik zullen branden in de hel omdat wij het al te absurd vinden dat een almachtig opperwezen een zoon kan verwekken op aarde. Vindt u dat een rechtvaardige straf? Neen, dat vindt u niet.

Zolang u de Koran aanvaardt als het letterlijke woord van God, in plaats van als een historisch document uit een tijdperk van sektarische oorlogen en veroveringen, stelt dat u voor een gigantisch dilemma: u erkent ermee de theologische spelregels van de jihadisten, en u bent genoodzaakt om elk haatvers weg te verklaren of te rationaliseren. Bij elk dispuut halen fundamentalisten immers het boek boven dat u beiden eerbiedigt als goddelijke autoriteit, en weten zij de beste papieren voor te leggen.

U gelooft in de gewetensvrijheid. U gelooft dat elk mens voor zichzelf moet uitmaken wat er tussen hemel en aarde beweegt. U streeft net zoals ik en vele anderen naar een verdraagzame samenleving, waarin we elkaar niet verafschuwen om onze overtuigingen.

Maar vergis u niet: die verheven morele principes hebt u niet aan de Koran of eender welk ander heilig boek ontleend. Die komen van u. Dat is de stem van uw geweten, de vrucht van morele vooruitgang. Misschien verbeeldt u zich dat ze ook de kernboodschap van de Koran uitmaken, omdat u meent dat God barmhartig en goed is. Niets is verder van de waarheid.

Ik verberg niet dat ik hoop dat velen onder u het geloof in Allah en hemel en hel vaarwel zeggen, en enkel de praktijken en rituelen van de islam overhouden. Misschien zijn sommigen onder u al verveld tot culturele moslim, zonder daar ruchtbaarheid aan te geven. Misschien houdt u gewoon van de spirituele kracht en synchronie van het rituele gebed, of het gevoel van saamhorigheid tijdens de ramadan, zonder het geloof dat er voor anderen bij hoort. Ook als ongelovige kan ik ontroerd worden door een muezzin die oproept tot het gebed.

Is het ook mogelijk om naar de prachtige recitaties van de Koran te luisteren zonder te geloven dat de voorzanger de spreekbuis is van God? Dat die verzen geen onfeilbare openbaring zijn, waaraan geen sterveling mag tornen?

Die premisse laten varen, dat besef ik maar al te goed, is een uiterst gevoelige zenuw in uw gemeenschap. De angst om als afvallige bestempeld te worden, met gevaar voor eigen lijfsbehoud, is begrijpelijk en reëel. Toch zullen we meer moedige moslims nodig hebben die precies die stap wagen, zoals de Britse culturele moslim en voormalige islamextremist Maajid Nawaz, en de Frans-Marokkaanse islamoloog Rachid Benzine, auteur van 'Le Coran expliqué aux jeunes'.

Wie de Koran als het letterlijke woord van een onfeilbare God opvat, wacht op het schaakmat door de jihadisten.

Salam aleikum,

Maarten Boudry

vrijdag 5 september 2014

Verlos ons van de eetprofeten

(De Morgen, 5/9/14)

Krantenkoppen over voedsel spreken boekdelen: “Vet mag dan toch!” (DM 4/9) “Superfoods zijn helemaal niet zo gezond”, “Antioxidanten alsnog slecht voor u”. Net hadden we onze koelkasten omgebouwd en onze voedselschijven bijgesteld, meedrijvend op de laatste golf van deskundologische inzichten, en daar worden de versbakken voorschriften alweer ingehaald. De schijf van vijf, de voedselpiramide (DM 4/9), de voedselzandloper – de geometrische vormen raken stilaan uitgeput, ons geduld evenzeer.

De wetenschap van voeding is aan sterke slingerbewegingen onderhevig. Wie de stapels onderzoek naar al dan niet verzadigde vetzuren, low carb diëten, cholesterolspiegels en fytosterolen doorploegt, blijft op zijn honger zitten. Dat ligt overigens niet aan de wetenschappelijke methode: ons spijsverteringsstelsel is ontzagwekkend ingewikkeld. Betrouwbare studies zijn tijdrovend en duur, en soms gekruid met industriële belangen.

Goeroes en ‘experts’
Leemten in onze wetenschappelijke kennis vormen kweekvijvers voor goeroes en zelfverklaarde experts allerhande. Elke generatie kweekt zijn eetprofeten, zoals historica Merel Boers ze noemt. De obsessie met gezond voedsel levert ons weinig op, behalve verlammende stress en zelfs schade door compensatiegedrag: ‘Na die blauwe bessen verdien ik een sigaret’, of ‘Zolang het bio is, mag ik chips schransen!’. Heilige zondaars, heet dat in de literatuur.

Eetprofeten zijn aasgieren, en wij hun gewillige prooien. Ons denken over voedsel is doordrongen van magie, natuursentiment, valse tegenstellingen en een obsessie met zuiverheid. Neem de eenvoudige vraag, die op gelagen te lande wel eens wordt geserveerd, of deze of gene bes of knol al dan niet ‘gezond’ is. De vraag is gewichtig en categoriek, want het alternatief is doorgaans dat ze kankerverwekkend is, of toch minstens je hart- en bloedvaten doet dichtslibben. Alsof God de eetbare wereld in twee hopen heeft geschapen, de ene heilzaam en de andere ziekmakend.

Geen enkele voedselbron is gezond op zichzelf. Voor iemand die elke dag bij de frituur aanschuift, is een krop sla beslist een gezonde afwisseling. Voor wie enkel sla eet, ... vice versa. Een veganist zou baat hebben bij wat kippenlever, omdat die veel vitamine B12 bevat, ondervertegenwoordigd in plantaardig voedsel. Voor de bemanningsleden van Vasco Da Gama, die bij bosjes aan scheurbuik bezweken, was een citroen de gezondst denkbare voedselbron. Voor een welgestelde westerling, van het slag dat ’s morgens weleens versgeperste sinaasappelsap drinkt, heeft de stelling ‘citroenen zijn gezond’ geen enkele betekenis.

En wat heet ‘ongezond’? Elke dag smikkelen we kwik en arsenicum, bijvoorbeeld in zeevruchten, maar ook in rijst en paddenstoelen: een paar microgram per dag kan geen kwaad. Bij overmaat wordt alles ongezond. Ook ‘gezonde’ vitamientjes (vooral A, D en E) kunnen je vergiftigen.

Natuurlijk
De meest hardnekkige mythe over voedsel is dat wat natuurlijk is, per definitie ook goed is. Nog liefst de ongerepte natuur, voor ze door beschaving werd bezoedeld: dat heet dan een paleodieet, of wat de jager-verzamelaars zoal bijeen geplukt en gejaagd kregen. De meeste natuurlijke planten doen echter aan chemische oorlogsvoering: zij stellen het niet op prijs om opgegeten te worden. Niet alleen door de homo sapiens, maar ook door divers kleiner ongedierte dat zich aan hen te goed doet (die dan weer niet ‘gezond’ zijn als wij ze niet verdelgen).

Toch bezorgen vage keurmerken als ‘organisch’ en ‘biologisch’ ons een warme gloed: zij wekken beelden op van bucolisch glooiende akkers, van eenheid met Moeder Natuur. En dat voedsel wordt tenminste niet bespoten, meneer! Of toch wel, maar dan wel met puur natuur en gezond vergif, zoals rotenon, vervaardigd uit subtropische planten, met de erg natuurlijke roepnaam (2R,6aS,12aS)-1,2,6,6a,12,12a-hexahydro-2-isopropenyl-8,9-dimethoxychromeno[3,4-b]furo(2,3-h)chromen-6-on.

Maar dan is biologisch voedsel, wat het ook is, toch op zijn minst gezonder? Wetenschappelijke studies, inmiddels een vuistdikke stapel, tonen geen verschil aan met regulier voedsel. Mocht u overigens wakker liggen van verzadigde vetzuren: die zijn talrijker in biologisch voedsel, met palmolie en en kokosvet op kop.

Variatie
Nog nooit leefden we zo lang en gezond, zo betoogt de epidemioloog Luc Bonneux in zijn gelijknamige boek, maar nog nooit beten we zo druk op onze nagels over onze eetgewoonten. Dat is niet verwonderlijk. Hoe langer we leven, hoe meer tijd we hebben voor kopzorgen. Het enige wat aantoonbaar ongezond is, aldus Bonneux, is de verstrengeling tussen preventieve geneeskunde en voedselindustrie. Die zorgt voor opeenvolgende golven aan voedselwanen die ons vooral de stuipen op het lijf jagen, maar onze gezondheid nauwelijks verbeteren.

Een eerlijke en nuchtere deskundige, die de gestrengheid van wetenschappelijk onderzoek eert, zal zich tot de volgende raad beperken: eet gevarieerd en met mate, mijd voedselgoeroes. En die variatie hoeft u niet in microgrammen af te wegen. Evolutie heeft ons metabolisme weerbaar en flexibel gemaakt, bestand tegen schaarste en schommelingen. Een omnivoor als Homo sapiens is niet zoals de tere prinses Goudlokje, voor wie de rijstpap altijd iets te warm of iets te koud is, maar nooit preciés goed.

Tot u spreekt een eenvoudige wetenschapsfilosoof. Van voedingskunde heb ik niet zoveel kaas gegeten. Maar toch genoeg, zo meen ik, om te weten dat ik er, ter wille van mijn gezondheid, niet veel meer over hoef te weten. Laat de eetprofeten prediken in de woestijn: hun tegenstrijdige evangelies heffen elkaar op. Een internetmeme, die ik een vruchtbare verspreiding toewens, stelt onomwonden: “Eat whatever you want, and if someone tries to lecture you, eat them too”.

Onze westerse eetcultuur, zo las ik een onversneden staaltje van voedselhysterie bij De Correspondent, is een “massale zelfmoord in slow motion”. Dat klopt. Leven is een ongeneeslijke aandoening, met 100% mortaliteit. Als je maar lang genoeg voedsel door je slokdarm jaagt, dan schiet je er op den duur je hachje bij in. Laat het u smaken!