zaterdag 8 november 2014

Laat duizend onkruiden woekeren

(De Morgen 08 november 2014)

Beste Alicja,

Doemdenken, zo merk je terecht op in je reactie op mijn tribune over het vrije woord, is aan geen van ons beiden besteed. Precies daarom is het vreemd dat je pessimisme ontwaart in mijn stuk. Laten we eerst aan de feiten recht doen. Tegen mijn stelling dat de kiemen van het totalitarisme nergens zo vrijelijk woekeren als in een open samenleving, breng je in dat fundamentalistische meningen veel sneller vervolgd worden bij ons dan in pakweg Saoedi-Arabië.

Helaas ben je daarin bijzonder slecht geïnformeerd. Zelfs voor wat betreft het islamitische fundamentalisme, snijdt die bewering geen hout. In Saoedi-Arabië werd onlangs een sjiitische geestelijke tot de dood veroordeeld omwille van politieke “ongehoorzaamheid” en insubordinatie. Gematigde sjiitische predikers, laat staan fundamentalisten, worden in Saoedi-Arabië systematisch onderdrukt en vervolgd. De sjiitische ayatollahs in Iran vervolgen en onderdrukken dan weer hun soennitische minderheid. Dit jaar nog protesteerde Human Right Watch tegen de terdoodveroordeling van 33 soennieten voor “vijandelijkheid jegens God”.

Sterker nog: je stelling over Saoedi-Arabië gaat zelfs voor hun “eigen” soennitisch fundamentalisme niet op: de Saoedi’s staan wereldwijd bekend om hun harde deradicaliseringsprogramma’s van soennitische jihadisten, lieden die het inheemse extremisme nog iets verder doordrijven dan de Saoedische monarchie welgevallig is. Twee maanden geleden werden 88 extremisten opgepakt door de Saoedi’s, na de preek van een imam die Al Qaeda en ISIS verheerlijkte. En dan hebben we het nog enkel over het islamitische fundamentalisme: als getuige van Jehova moet je noch in Iran noch in Saoedi-Arabië op deuren gaan kloppen om de blijde boodschap van Jezus te verkondigen, als je leven je lief is. 

Iran en Saoedi-Arabië zijn sektarische monoculturen, die alleen zichzelf tolereren. Dat, zo weten we uit de duurzame landbouw, leidt tot ernstige bodemverschraling. Een open samenleving daarentegen laat duizend bloemen bloeien, maar – en dat is belangrijk – laat ook duizend onkruiden woekeren.

Mijn stelling dat onze open samenleving “de voorwaarden voor haar eigen suïcide in zich draagt”, is geen fatalistische voorspelling, maar een beschrijving van de delicate evenwichtsoefening die het wezenskenmerk uitmaakt van een open samenleving. In plaats van haar vijanden te onderdrukken en monddood te maken, gunt de open samenleving hen een voorrecht dat zijzelf nooit zouden wederkeren, mochten zij de touwtjes in handen hebben: de radicale vrijheid van gedachte en meningsuiting. Indien we de tegenstanders van de open samenleving dat vrije woord niet gunnen, verlagen we ons tot hun niveau en hebben we zelf de vrije samenleving al opgeheven.

Toch vind jij dat de intoleranten onze tolerantie niet verdienen. ‘Tolerantie’ is een vaag begrip dat ik liever vermijd, omdat het alles en niets kan betekenen: van een totale onverschilligheid, over een houding die personen beschermt maar hun ideeën bestrijdt, tot een misplaatste vorm van warm ‘respect’ voor verfoeilijke ideeën. De kern van de zaak is dat mijn standpunt, in tegenstelling tot wat jij beweert, helemaal niet indruist tegen de tolerantie-paradox van Karl Popper. In die beroemde voetnoot van De open samenleving en haar vijanden, schrijft Popper letterlijk dat we de intoleranten enkel met harde hand mogen aanpakken wanneer zij eerst naar de wapens grijpen of onze veiligheid in het gedrang brengen, en dat we eerst alle middelen van het woord moeten uitputten om hen te bestrijden. Dat is precies wat ik zeg: schokkende, dogmatische en verwerpelijke meningen moeten we met het woord bestrijden, maar geweld of instigatie tot geweld mogen we nooit tolereren.

Daarom moeten we ook en vooral intolerante meningen tolereren. Tolerantie die zich enkel tot de verdraagzamen uitstrekt, is zoals vrije meningsuiting enkel voor wie gelijk heeft. Dat jij en ik elkaar tolereren, als verdraagzame zielen onder elkaar, is geen verdienste. Dat we een walgelijke mening als het negationisme tolereren, iets waar jij in je stuk niet toe bereid lijkt, vergt een inspanning. Dat is wat een open samenleving betekent.

Tot slot: de wortels van het jihadisme liggen volgens jou in de “sociale ongelijkheid en immobiliteit”. Volgens mij dwaal je daarin. Maar tot we dat geschil kunnen uitklaren, zullen wij elkaars ideeën moeten tolereren. Dat doe ik overigens met plezier.

Hartelijke groet,

Maarten


woensdag 5 november 2014

Scientia vincere tenebras -- tot het licht even uitging

(De Morgen - 05 november 2014)

Scientia vincere tenebras, luidt de leuze van de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Wetenschap is een brandende fakkel in de duisternis, zo wist ook de astronoom Carl Sagan. Uitgerekend in de bibliotheek van die instelling, waarin de verzamelde vruchten van vrij onderzoek opgebaard liggen, zou een jongere geronseld zijn voor IS en haar kalifaat. U weet wel, de lui die ons tegenwoordig glanzende magazines opsturen (abonneer u op ‘Dabiq’) waarin ze de genocide op de Yazidi’s theologisch rechtvaardigen, en met trots de slavernij terug invoeren. Dieper in het ‘hart der duisternis’ kan je anno 2014 niet raken.
De moeder van de jihadist die hierover gisteren op Radio 1 getuigde, wenste anoniem te blijven. Enig voorbehoud is dus aangewezen. De symboliek is echter wrang: een universitaire campus, vrijhaven van kritisch denken en wetenschap, als ronselplek voor een ideologie die haaks staat op alles wat die universiteit belichaamt.
Toch kan het. De Britse schrijver Maajid Nawaz, een voormalige jihad-strijder die tot inkeer kwam in de gevangenissen van de Egyptische dictator Moebarak,  beschrijft de infiltratie van het jihadisme op Britse campussen nauwkeurig in zijn autobiografie Radical. De islamisten van Hizb ut-Tahrir, waarbij hij destijds was aangesloten, verscholen hun sektarische haat achter de wimpels van multiculturalisme en verdraagzaamheid. Kritisch weerwerk deden ze doelbewust en steevast af als racisme. Dat was een uitgekiende strategie. Veel lieden uit het universitair bestuur waren exponenten van de jaren ‘60: gevoelig voor de emancipatiestrijd, beducht voor het verwijt van ‘racisme’.  
De getuigenis van Nawaz ontbloot de achilleshiel van onze tolerantie. De kiemen van het fascisme woekeren nergens zo vrijelijk als in de vrije en open samenleving die zij wil ten gronde richten.  De recuperatie van tolerantie door intoleranten getuigt van een verregaand cynisme: zelf willen islamisten niets liever dan de democratie en het vrije woord omverwerpen, maar in afwachting gebruikten ze het als een handig schild om hun eigen ideologie mee af te schermen. Zoals een virus de chemische signalen van zijn gastheer imiteert, is het jihadisme onze samenleving binnengedrongen onder het mom van de verdraagzaamheid waar we zo trots op zijn.
De Britse advocaat Anjem Choudary, ideologische peetvader van Fouad Belkacem en welbespraakte haatprediker, kan op de BBC ongestoord zijn giftige ideologie verspreiden. Louter het feit dat hij daar zit en de ganse natie kan toespreken, weerlegt het slachtofferdiscours waarin hij zich voortdurend wentelt.  Enkel in de tolerante maatschappijen die Choudary het meest verfoeit, die het gebod van de mens boven dat van God stellen, geniet hij dergelijke voorrechten.
Moeten we dan de vrije meningsuiting inperken? Helemaal niet: radicale moslims genieten nog te weinig vrije meningsuiting. Als zij bijvoorbeeld de Holocaust willen loochenen, moeten zij dat ongehinderd kunnen. De negationismewet blijft een smet op het Belgische blazoen.
Het ‘No Paseran’ moet echter luider weerklinken: een verfoeilijke mening mag, een oproep tot haat en geweld niet. Een genocide ontkennen is eenieders recht, maar in één adem oproepen tot een nieuwe genocide, zoals men regelmatig hoort in radicaal-islamitische kringen (“Prepare for the REAL Holocaust”), moet hard en kordaat aangepakt worden. Progressieve stemmen moeten hun angst voor ‘racisme’ en ‘islamofobie’ dringend bezweren, want die effent de weg voor de jihadisten.
Een open samenleving, zo wil de paradox nu eenmaal, draagt de voorwaarden voor haar eigen suïcide in zich. Om dat te verhinderen, zonder die open samenleving zelf op te heffen, moet iedereen de radicale vrijheid genieten ideeën te bestrijden en eigen meningen te uiten. Ook en vooral schokkende beledigende en verontrustende meningen.
Een universiteit blijft bij uitstek de arena waarin ideeën botsen. Toen ik vorige maand een lezing gaf aan de VUB over atheïsme en de psychologie van religie, kwamen de scherpste vragen van enkele jonge moslima’s. Die lichtpuntjes zijn belangrijker dan die enkeling – indien het verhaal klopt – die zich in de schaduw van de bibliotheek liet verleiden tot de duisternis.