God en de alwetende eenhoorn

(Een stuk uit de oude doos over het godsbewijs van Emanuel Rutten, De Standaard - 19 april 2012)

In een aflevering van The Simpsons bewijst de minkukel Homer Simpson, plots geniaal geworden na een operatieve verwijdering van een potlood uit zijn brein, stoemelings dat God niet bestaat, terwijl hij toevallig een ontwerp voor vlaktaks op papier zette. De verbouwereerde Ned Flanders, Homers diep religieuze buurman, verzekert zich na luttele seconden van de formele geldigheid van het bewijs en houdt prompt de aansteker onder het vodje papier, ter bescherming van de religieuze gemeenschap.

Volgens de Nederlandse filosoof Emanuel Rutten moet Homer een fout gemaakt hebben. Bewijzen dat God niet bestaat, is volgens hem onmogelijk (misschien houdt God zich immers goed verborgen?). Sterker nog: uit die stelling puurt hij een nieuw bewijs voor de stelling dat God wél bestaat (DS 14 april). Als een bewering niet kenbaar is, omdat we ze onmogelijk kunnen bewijzen, zo luidt de redenering, dan is ze noodzakelijk vals. ‘God bestaat niet' is niet kenbaar, spijts Homer Simpson, dus is de stelling vals. Dus bestaat God.

Klinkt te mooi om waar te zijn? Dat is het ook. De gedachte dat we gewichtige zaken over de wereld kunnen aantonen door zulke logische kunstgrepen, gespeend van enige empirie, is een ernstige dwaling, en bezorgt de academische filosofie een slechte naam. In de 11de eeuw al bedacht de benedictijnermonnik Anselmus zo'n filosofisch foefje: God is het meest perfecte wezen denkbaar. Maar als hij niet zou bestaan, dan ontbeert hij een belangrijke positieve kwaliteit (namelijk: bestaan), en dan zou hij niet perfect zijn. Dus bestaat God.

Een goede filosoof ruikt meteen onraad bij zulke frivoliteiten (denken we aan het ‘perfecte eiland': als het niet bestaat, zou het niet perfect zijn. Varen we er morgen naartoe?). 

Absurditeiten

De meeste godsbewijzen exploderen in absurditeiten, zoals een eiland dat noodzakelijk moet bestaan. Bekijken we even of Ruttens argument bestand is tegen pakweg eenhoorns. Is het niet evenzeer onmogelijk om zeker te ‘weten' dat eenhoorns niet bestaan? Misschien leven ze ondergronds, of bestaan ze uit onzichtbare antimaterie? Nee, volgens Rutten, want God, indien hij bestond, zou weten dat eenhoorns niet bestaan (hij zou zich herinneren dat hij ze niet geschapen had). Dus is er een mogelijke wereld waarin iemand weet dat eenhoorns niet bestaan, namelijk een wereld waarin God bestaat.

Wie over mogelijke werelden begint, begeeft zich echter op glad ijs. Laten we de bal terugkaatsen. Een alwetend hoefdier met één hoorn – dat leeft in een mogelijke wereld – zou ook weten of God al dan niet bestaat. Als die schrandere eenhoorn dat van God kan weten (en vice versa), dan is het niet-bestaan van God opnieuw kenbaar volgens Ruttens definitie en valt zijn argument in duigen. Wie zegt immers dat er niet twee (of oneindig veel) alwetende wezens bestaan, die van elkaars bestaan afweten? De argumenten van Rutten voor een voorkeursbehandeling van God zijn circulair: wat als we dat beladen drieletterwoord vervangen door ‘klein pierke', zoals Etienne Vermeersch ooit zei? Wat hebben we dan bewezen?

De redenering bijt zichzelf dus in de staart. Maar waar gaat ze dan precies in de mist? Ruttens opvatting van ‘weten', ontleend aan René Descartes, vereist absolute zekerheid. Zolang er ruimte is voor het minste zweempje twijfel, kunnen we niet zeker ‘weten' dat God niet bestaat. Dat is alsof men probeert over een lat te springen die oneindig hoog ligt. Als we Ruttens redenering volgen, dan ‘weten' we evenmin of de zon morgen opgaat, of de maan een bol kaas is, of Elvis nog leeft, of de wereld vijf minuten geleden geschapen is. Geen van die mogelijkheden kunnen we logisch uitsluiten, maar toch kunnen filosofen ze fileren met een ander instrument, het zogenaamde scheermes van Ockham, ontleend aan een andere middeleeuwse filosoof. Dat principe stelt dat eenvoudige verklaringen verkiesbaar zijn boven ingewikkelde, en dat we niet meer entiteiten mogen aannemen dan strikt noodzakelijk.

Waarschijnlijkheid

Absolute zekerheid nastreven als kennisideaal is onzinnig, behalve voor logische en wiskundige stellingen (en dan nog is de mens feilbaar). Moderne filosofen en wetenschappers leggen de lat doorgaans lager en nemen vrede met een hoge mate van waarschijnlijkheid, in het licht van de best beschikbare evidentie. Dan kunnen we wel degelijk ‘weten' dat Elvis dood is en dat de maan geen bol kaas is. Maar dan kunnen we ook het bestaan van bovennatuurlijke wezens loochenen, zoals God. Ruttens godsbewijs, voor wie het wil nalezen op zijn website, goochelt met die meerduidigheid van de term ‘weten' en de filosofische flipperkast van mogelijke werelden.

Elke godsbewijs heeft een zere plek, zoals Jean Paul Van Bendegem zei, een logische achilleshiel. Hoewel dat soms aanleiding geeft tot interessante filosofische steekspelen, zijn formele godsbewijzen, opgesteld zonder input van de wereld buitenaf, eigenlijk een vruchteloze onderneming. Bewijzen dat iets níét bestaat, omdat het bijvoorbeeld intern tegenstrijdig is, is een haalbaarder kaart (en dan nog is er ruimte voor discussie). Is een alwetend wezen niet überhaupt incoherent, met of zonder hoorn? Is een algoede schepper niet strijdig met de ontzagwekkende hoeveelheid lijden in het universum? Zoals Stendhal ooit zei: La seule excuse de Dieu, c'est qu'il n'existe pas. Misschien had Homer Simpson toch gelijk.

Reacties

Populaire berichten van deze blog

We zijn veel te lief voor extreemlinks: Over het dempen van ideologische beerputten

Ook links zwijgt ex-moslims dood

The Relentless Retreat: God in the Age of Science.