vrijdag 24 april 2015

Laudatio Zesde Vijs / (pdw)trofee van SKEPP 2014

Ministers van volksgezondheid in België geven sinds 1999 een vergiftigd geschenk aan elkaar door. Dat geschenk werd ineen geknutseld en verpakt door de toenmalige minister van Volksgezondheid Marcel Colla, en betrof een wettelijke kader voor de erkenning van zogenaamde niet-conventionele geneeswijzen, als daar zijn: homeopathie, chiropraxie, osteopathie en acupunctuur. Ook meer exotische genezers mochten zich aandienen. Die wettelijke regeling was volgens Colla nodig om de bevolking te beschermen en “goede kwaliteit te verzekeren”. De betere kwakzalver, zo u wil.

De wet was echter een miskleun vol onduidelijkheden en bleef meer dan 10 jaar dode letter. Een groep osteopaten verloor echter het geduld en dagvaardde de Belgische staat voor deze nalatigheid. De rechter veroordeelde de Staat in 2010 tot een dwangsom van 5000 euro per maand, omdat hij – de Staat – de osteopaten een kans op erkenning bleef ontzeggen.

De regering schoot wakker. Ijlings werden commissies en vergaderingen belegd, paritair samengesteld uit academici en beoefenaars van de alternatieve geneeswijzen. Voor een uitgebreid relaas van deze uitputtingsslagen, die uitblonken in Belgisch surrealisme, kan u bij onze erevoorzitter Wim Betz terecht, die jarenlang in deze commissies zetelde. Om een lang verhaal kort te maken: in 2013, op een steenworp van de verkiezingen, goot minister van Volksgezondheid Laurette Onkelinx de erkenning van één alternatieve praktijk nog snel in een Koninklijk Besluit: uitgerekend de homeopatie. Met een zeer bedenkelijke kunstgreep had ze de universiteiten verhinderd om hun stem uit te brengen in de commissies. De regeling? Enkel artsen, tandartsen en vroedvrouwen mochten zich vanaf dan specialist in het voorschrijven van geschud water noemen, mits een opleiding van 600 uur aan een universiteit of hogeschool. Enig euvel: geen enkele universiteit wil die opleiding inrichten. Geen wonder. Dat is alsof men aan faculteiten wiskunde zou vragen om een bachelor te onderwijzen in het kwadrateren van cirkels.

Alweer een patstelling. Toen Onkelinx eind vorig jaar werd opgevolgd door Maggie De Block, een gediplomeerde arts en voorstander van de zuiver wetenschappelijke geneeskunde, slaakte de medische wereld een zucht van verlichting. Kort na haar benoeming gaf De Block in interviews te kennen wat elke wetenschapper wist, maar wat sommige politici uit electoraal opportunisme niet luidop durven zeggen: dat de meeste alternatieve geneeswijzen, voor de meeste aandoeningen, niet beter werken dan een placebo. Voor nekpijn en lage rugpijn zijn osteopathie en chiropraxie aangewezen, maar daar houdt het zowat op. Met name homeopathische middeltjes, die enkel geschud water of suiker bevatten, zijn zowat de definitie van een placebo. Of zoals Maggie De Block het zelf in een interview met De Standaard verwoordde: “In het beste geval zijn ze vergelijkbaar met een warm bad. Het doet deugd, dat wel. Maar dat is het ook. Moet ik een warm bad ook terugbetalen?
En dat brengt ons bij haar tweede verdienste: Maggie De Block zet ook grote vraagtekens bij de terugbetaling van die veredelde warme baden, via de zogenaamde aanvullende “vrije verzekering" van de mutualiteiten, die trouwens – in weerwil van de benaming – voor iedereen verplicht is. De mutualiteiten stellen nu zelfs lijsten op van onwettige beoefenaars van de geneeskunde, zoals chiropractors, om ze uitdrukkelijk te erkennen voor terugbetaling.

Wie het pad van de evidence based geneeskunde echter verlaat, belandt in totale willekeur. Eens je begint met de erkenning en terugbetaling van kwakzwalverij, louter omdat de bevolking erom vraagt, kan je net zo goed Lourdes-water erkennen, door het ministerie van volksgezondheid gewijd, en door erkende sprenkelaars besprenkeld. De Christelijke Mutualiteit organiseren wel reizen naar Lourdes, maar gelukkig vooralsnog niet in het kader van een ziekteverzekering.

Het standpunt van SKEPP is duidelijk: enkel de methodes waarvan de werking wetenschappelijk is aangetoond, verdienen een tussenkomst van de overheid. Een erkenning van alternatieve geneeskunde, zelfs zonder terugbetaling, geeft een volstrekt verkeerd signaal: het wekt de indruk van een keurmerk, een garantie van betrouwbaarheid. Bij gebrek aan wetenschappelijke bewijzen, zullen alterneuten dat aangrijpen als een overwinning.

Of de minister daadwerkelijk iets aan de praktijken van de zorgverzekeraars zal kunnen verhelpen, blijft een open vraag. Misschien kan zij ons zo meteen vertellen of er al schot zit in de zaak?

In ieder geval is het een verademing dat Maggie De Block de simpele feiten over zogenaamde alternatieve geneeswijzen uitspreekt, en durft te breken met de halfslachtige houding van haar voorgangers. Bij de vele overtuigde aanhangers van homeopathie maakt ze daar zich ongetwijfeld niet populair mee. Of misschien zien sommigen het licht, nu de bevoegde minister klare taal spreekt?

Burgers hebben het recht om bij homeopaten en andere alternatieve genezers aan te kloppen, voor zover zij dat wensen, maar de overheid moet die onwetenschappelijke praktijken niet legitimeren, laat staan terugbetalen. Geschud water mag dan al geen bijwerkingen hebben, het bezorgt mensen wel een vals gevoel van veiligheid en kan hen ertoe brengen om een noodzakelijke therapie af te zweren.
En als er alsnog bewijzen opduiken voor een alternatieve geneeswijze, dan zullen wij – en ongetwijfeld ook Minister De Block en haar Kenniscentrum – dat met plezier erkennen. Dan spreken we niet langer “niet-conventionele geneeskunde”, zoals de wet-Colla, maar gewoon over geneeskunde. Meer heeft de burger niet nodig.

Maarten Boudry

maandag 20 april 2015

Dioxine redde 10.000 diabeten!

(De Standaard, 20 april 2015, met Wietse Wiels, Luc Bonneux en Wim Betz)

Petra De Sutter valt ‘dogmatici van de wetenschap’ aan die zich op Twitter kritisch uitlieten over de stelling van Nik Van Larebeke – overgenomen door zowat elk nieuwsmedium van het land – dat de dio­xinecrisis 20.000 extra kankers heeft veroorzaakt (DS 14 april) . De argumenten van deze ignobele onbekenden haalt ze niet aan. Wel stelt ze dat ‘afwezigheid van bewijs van verschil’ niet gelijk staat aan ‘bewijs van gelijkheid’. Dat je bijvoorbeeld niet hard kunt maken dat dioxinekippen of gsm-straling kanker veroorzaken, wil volgens haar niet zeggen dat er niets aan de hand is. Wie dat toch meent, zou zich bezondigen aan ‘dogmatisch geloof’ (DS 16 april)

Dat klopt niet. Dat we na lang zoeken geen bewijs vonden voor het monster van Loch Ness, is wel degelijk een reden om aan te nemen dat het niet bestaat. Idem voor klopgeesten, ontvoeringen door aliens en – jazeker – de link tussen gsm-straling en kanker. Daar hoef je niet ‘dogmatisch’ voor te zijn. Soms is afwezigheid van bewijs wel degelijk een argument voor bewijs van afwezigheid. Daar ontdekte de 18de-eeuwse dominee Thomas Bayes al een formule voor. Als je naarstig naar iets gezocht hebt (op de juiste plaats), maar geen sporen hebt aangetroffen, mag je aannemen dat het niet bestaat. Die intuïtieve redenering kun je wiskundig hard maken.
De dosis is het gif
Door over ‘afwezigheid van bewijs’ te spreken, erkent De Sutter wel impliciet dat de aanwijzingen voor een verband tussen dioxine en kanker erg pover zijn. En inderdaad: Van Larebeke viste in een grote datavijver en gooide vissen die hem niet bevielen terug in het water. Een concreet voorbeeld: het onderzoek vond zowel positieve als negatieve correlaties. Zo zouden PCB’s in ons lichaam de kans op diabetes verlagen. Maar die cijfers verwerpt Van Larebeke, omdat ze biologisch ‘implausibel’ zijn. Zo is het gemakkelijk.
De vissen die Van Larebeke overhoudt (enkele positieve correlaties), rekent hij vervolgens om naar de totale bevolking en schrijft hij zomaar toe aan vetsmelter Verkest. Dat is wel erg creatieve rekenkunde, die overigens geen deel uitmaakt van zijn aanvaarde artikel. Of vindt u de kop boven dit stuk geloofwaardig?
Feit is dat Van Larebeke in zijn publicatie met geen woord rept over de dioxinecrisis en zelf aangeeft dat de data zwak zijn. De verhoogde dioxinewaarden die hij vond, zijn wellicht te wijten aan milieuvervuiling. Dat is niet onbelangrijk: mensen die in vervuilde gebieden leven, behoren helaas vaker tot lagere sociaaleconomische klassen. Die leven ongezonder, roken meer en krijgen dus meer hart- en vaatziekten en kanker.

Dioxine is beslist een smerig goedje. Zoals Paracelsus al wist, bepaalt de dosis echter de giftigheid. De pieken tijdens het hoogtepunt van de dioxinecrisis lagen niet hoger dan de gemiddelde blootstelling in België in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Van die industriële vervuiling zijn we gelukkig verlost – dankzij de groene beweging. Dioxineconcentraties in het Italiaanse Seveso, na de industriële ramp aldaar, lagen meer dan honderd keer hoger dan in België. Bewoners kregen een gemene vorm van acne, maar niet vaker kanker. Ook inNature werden al kritische vragen gesteld over de Belgische dioxineheisa. Je moest al twintig besmette kippen achtereen eten om je gezondheid aan te tasten. Dioxines zijn te vermijden, maar paniekzaaierij ook.
De p-lapsus
De Sutter vergelijkt sceptici met ‘handelaren in twijfel’, lieden die de link tussen roken en kanker ontkenden. Een manke vergelijking. De link tussen tabak en kanker is zo sterk dat ze als het ware uit de statistieken springt. Een levenslange kettingroker verhoogt zijn kans op longkanker met 3.000 procent (nee, daar staan geen nullen te veel). Wereldwijd lijden meer dan 300 miljoen mensen aan chronische obstructieve longziekte (COPD), een aandoening die bijna altijd een rechtstreeks gevolg is van de sigaret. De twijfelachtige 2,4 procent van Van Larebeke verbleekt erbij. Het is niet erg netjes mensen die dubieuze rekenkunde aankaarten over dezelfde kam te scheren als tabaksontkenners. Ze voortdurend ‘dogmatisch’ noemen, zonder hun kritiek aan te halen, evenmin.
Tot slot: de p-waarde in wetenschap is volgens De Sutter ‘het risico dat een gevonden verschil op toeval berust’. Dat is een lapsus waar menig student statistiek zich aan bezondigt. Dat kunnen we zelfs in minder dan 140 tekens – de tweetlimiet – uiteenzetten: ‘De p-waarde is niet de kans dat je resultaat op toeval berust, maar de kans dat, als we toeval aannemen, we een dergelijk resultaat krijgen.’ Of met een voorbeeld, ook tweetbaar: ‘De kans dat uw kip slecht smaakt als er smeerolie in zit, is niet gelijk aan de kans dat er smeerolie in uw kip zit als ze slecht smaakt.’