donderdag 29 oktober 2015

Fundamentisme

De antieke sceptici vonden dat we niets met zekerheid kunnen weten en dat we al onze oordelen moeten opschorten. De geliefkoosde strategie van filosofen om aan die universele scepsis te ontsnappen, is om te zoeken naar een of ander solide fundament voor onze kennis. Als die basis stevig is, kan je daarop verder bouwen. In de Angelsaksische literatuur staat die benadering bekend als “foundationalism”, in het Nederlands stel ik Filosofisch Fundamentisme voor (niet te verwarren met ‘fundamentalisme’, want doorgaans gaat het om vreedzame lieden).

Een Fundamentist vat menselijke kennis op als een soort omgekeerde piramide die steunt op enkele ultieme fundamenten, waarmee de hele constructie staat of valt. Daal naar beneden af en vind zo de ultieme grondslagen van onze kennis. Maar dat idee is even vruchteloos als achterhaald. Er bestaat geen onwankelbare sokkel waarop al onze kennis rust. Want waar staat die dan weer op? Of ze zweeft in het luchtledige, of ze steunt op een nog fundamenteler fundament. Dat lijkt op de oude Hindoe-kosmologie: onze aarde is plat en rust op de ruggen van vier enorme olifanten, die op hun beurt op een enorme schildpad staan. En waarop staat die schildpad dan? Op een nog grotere schildpad eronder natuurlijk. En zo gaat het voort, langs een toren van steeds grotere en sterkere schildpadden…

De drogreden van de Fundamentist is de gedachte dat, als je vertrekpunt niet volstrekt zeker is, de rest van de constructie in duigen valt. Alles of niets. Met mijn collega Michael Vlerick heb ik de filosoof en apologeet Alvin Plantinga betrapt op deze drogreden. Plantinga zoekt een volstrekt zekere basis voor de betrouwbaarheid van ons brein in de evolutietheorie. Uiteraard vindt hij die niet, waarna hij God inroept als kennisgarantie. Dat is natuurlijk een schijnoplossing, want hoe komt God aan die onfeilbare kennis? Krijgt hij die gratis en voor niets, krachtens de definities van theologen? 

Als er geen kennisfundamenten bestaat, hoe komen we dan iets te weten? Hebben de sceptici dan toch gelijk? Onze kennis is geen bouwwerk met fundamenten, maar een web waarvan de verschillende draden elkaar onderling versterken. De filosofe Susan Haack gebruikt het beeld van een kruiswoordraadsel. Hoe meer vakjes je invult, des te zekerder weet je dat je op de goede weg bent. Eerst in potlood, dan met inkt. Toch kan je geen enkel woord aanwijzen dat als ‘fundament’ dient van de puzzel, waarmee de hele puzzel staat of valt. Een kruiswoordpuzzel kan je in principe eender waar beginnen. Tenzij je een fundamentist bent natuurlijk.

(Column Filosofie Magazine - november 2015)

maandag 19 oktober 2015

Het recht van de zwakste

In 1935, toen zich donkere wolken samen pakten boven Europa, schreef de filosoof Bertrand Russell dat de wortels van het fascisme liggen bij de revolte tegen de rede en het misprijzen voor waarheid. De universele menselijke rede biedt een gedeelde toetssteen om geschillen op te lossen. Wie zich tegen haar keert, kan zijn disputen enkel nog met bataljons en kanonnen beslechten. De ideologieën waarvoor Russell waarschuwde, leidden enkele jaren later tot de grootste ravages van de moderne geschiedenis. Maar in plaats van de rede in ere te herstellen, heeft die nachtmerrie tot een nog dieper wantrouwen geleid voor elke aanspraak op universalisme. De waarden van de Verlichting en wetenschap zouden het laatste Grote Verhaal zijn waarmee we moeten afrekenen, na de verwoestende mythes van religie en ideologie. De rede kreeg het nog zwaarder te verduren.
In verschillende gedaantes heeft deze denkstroming, vaak aangeduid als ‘postmodernisme’, zich in weldenkende kringen verspreid. Haar credo? De werkelijkheid is een sociale constructie. Waarheid is relatief. Alles is interpretatie en elke interpretatie is even geldig. Er zijn alleen maar perspectieven en objectiviteit is een illusie. Die relativeerzucht is in vele geesten binnengeslopen, met name in de academische wereld. Mogen we onze Europese cultuur wel opdringen aan de rest van de wereld? Moet Verlichting zo nodig met hoofdletter? Moeten we geen respect hebben voor andere waarheden behalve die van de ‘westerse’ wetenschap? Is het geen cultureel imperialisme om te denken dat wij de waarheid in pacht hebben?
Iemand die geen enkele last heeft van deze postmoderne schroom, is de Vlaamse filosofe Tinneke Beeckman. Haar nieuwe boek Macht en Onmacht is een genadeloze analyse van de intellectuele kwalen van postmodernisme en cultuurrelativisme. Wie waarheid afdoet als een sociale constructie, zo schrijft Beeckman, ontwapent zichzelf en wordt verlamd door onmacht en vertwijfeling. In de voetsporen van Bertrand Russell gaat ze op zoek naar de historische wortels van de postmoderne revolte tegen de rede, met de aanslag van 7 januari 2015 op Charlie Hebdo als aanknopingspunt. De genealogie van het postmodernisme leidt ons terug tot een schare aan postmoderne maîtres-penseurs, voornamelijk van Franse oorsprong, die concepten als waarheid en rationaliteit hebben uitgehold, ontbonden, gedeconstrueerd en op ander wijzen platgerelativeerd. De Franse filosoof Michel Foucault bijvoorbeeld ontleedt ‘waarheid’ in termen van machtsstructuren. Een zogenaamde ‘waarheid’ is louter het product van een interpretatieoorlog, waarbij de overwinnaar zijn dominante discours oplegt aan de verliezer. De postmoderne denker kan dat dominante discours niet ‘weerleggen’, maar er enkel andere interpretaties tegenover plaatsen, met name die van de verliezer, de onderdrukte minderheid.
Beeckman toont goed aan hoe deze obsessie met machtsstructuren, wars van elke waarheidsaanspraak, ertoe leidt dat de ontwaarde machtsrelaties gewoon op zijn kop worden gezet. De postmodernist bevoorrecht per definitie de minderheid, de gesmoorde stem, de vertrappeling. Niet omdat het slachtoffer gelijk heeft, maar omdat het geen gelijk krijgt. Wie het slachtofferschap kan opeisen van een of ander machtsdiscours, legitimeert zichzelf en zijn verzuchtingen. In plaats van het recht van de sterkste, huldigt de postmodernist het recht van de zwakste. De invloed van Foucauldiaanse denkschema’s is tot op vandaag voelbaar. Gebruik van geweld, naar aanleiding van enkele spotprenten, wordt dan gekaderd als een begrijpelijke uiting van frustratie, van socio-economische achterstelling, van culturele verdrukking en historische vernedering. Als iets echter een sociale constructie is, dan wel ‘slachtofferschap’. Wie zijn blasfemiewetten uit de 7de eeuw kan opleggen aan internationale media is geen onderdrukte minderheid, maar een onderdrukkende minderheid. In een van de beste hoofdstukken uit het boek past Beeckman Nietzsches psychologie van het ‘ressentiment’ toe op de postmoderne slachtoffercultus. Daaruit puurt ze een striemende kritiek op Emmanuel Todd, een Franse filosoof die de steunbetuigingen voor Charlie Hebdo na de aanslag vermangelde in postmoderne deconstructiemolens, als een onderdrukking van reactionaire en islamofobe “zombie-katholieken” die op een onderdrukte minderheid willen “spuwen”.
Beeckman is bijzonder erudiet en laat haar betoog in Macht en Onmacht breed uitwaaieren, maar daardoor verliest ze soms wat grip op haar centrale onderwerp. In haar analyse van de postmoderne malaise vinden we bijvoorbeeld vreemde bedgenoten als Martin Heidegger, obscurantist en metafysicus van het nationaalsocialisme, en de Amerikaans-Russische Ayn Rand, verheerlijkster van zelfzucht en radicale vrijheid. Via de figuur van Rand betoogt Beeckman dat het “neoliberaal consumentisme” aansluit bij de postmoderne waarheidsloochening, maar die verwantschap overtuigt niet helemaal. In de mate dat neoliberalen een geloof in efficiëntie, rationalisering en meetbaarheid belijden, lijken ze weinig uitstaans te hebben met de postmoderne relativisten. Evenmin volg ik Beeckman wanneer ze het postmodernisme, in navolging van haar spijtoptant Bruno Latour, verantwoordelijk stelt voor de opkomst van complottheorieën. Postmoderne minachting voor waarheid is namelijk niet aan complotdenkers besteed. Dwaallichten die de officiële versie van 9/11 in twijfel trekken, noemen zichzelf de Truth Movement, die de Waarheid met hoofdletter ‘W’ nastreven. Eerder lijkt het complotdenken een verlichtingsdenken op steroïden, een dolgedraaide versie van Immanuel Kants beroemde oproep om te “durven denken”, die elke autoriteit per definitie verdacht maakt en elke gevestigde waarheid wil omdraaien.

Waar het postmodernisme wel verantwoordelijkheid voor draagt, zoals Beeckman terecht stelt, is het verlies van onze intellectuele weerbaarheid tout court. We moeten ophouden met de erfenis van de Verlichting te kleineren als ‘westers’ en haar verdedigers als ‘Eurocentristen’ af te doen. De verworvenheden van de Verlichting – universele mensenrechten, liberale democratie en wetenschap – zijn dan wel op Europese bodem ontstaan, maar het zijn universele ideeën, die net zo goed elders het licht hadden kunnen zien. Als er iets typisch westers is, ironisch genoeg, dan wel het postmodernisme zelf, deze bizarre zelfondergravende opvatting dat waarheid een sociale constructie of machtsdiscours  is. De postmodernist denkt dat hij de overtreffende stap zet na het modernisme, door waarheid en rationaliteit als laatste Grote Verhaal te ontmaskeren, maar in feite maakt hij daarmee alle voorgaande stappen ongedaan. Relativisme heft zichzelf op. In confrontatie met meer assertieve denkwijzen, die er niet voor terugdeinzen om zichzelf als superieur te beschouwen, moet het zichzelf uiteindelijk wegcijferen als perspectief onder de perspectieven. Het is een verademing dat er nog filosofen als Tinneke Beeckman zijn die volstrekt immuun blijven voor deze postmoderne plaag.

(De Standaard der Letteren, 15 oktober 2015)

zaterdag 17 oktober 2015

Geestesziek wegens gestoord

(De Morgen, 16 okktober 2015)

Eerst klonk het verwijt dat geen hond naar het nieuwe Canvas-programma De Afspraak keek. Maar de enige aflevering die u allemaal gezien hebt, is diegene waarvan de VRT-bonzen en mediaminister Sven Gatz liever hadden dat u ze niet zag. Dat komt dankzij het Streisand-effect: pogingen om informatie te onderdrukken of verbergen, werken als een krachtige aandachtsmagneet. De Afspraak nodigde maandag de jihadist Younes Delefortrie uit in de studio, een blanke bekeerling die het na enkele weken verblijf in het kalifaat voor bekeken hield, maar niets aan radicale ideeën heeft ingeboet. De man mocht zelfs zijn nieuwe boek promoten. De ventielklep van de Vlaamse onderbuik, ook wel bekend als ‘Twitter’, begon meteen vervaarlijk te fluiten. Wie geeft nu een forum aan zo’n knettergekke kerel? Gratis reclame voor ISIS! En met ons belastinggeld!
De VRT-hoofdredactie liet het fragment in allerijl van de website halen en kapittelde haar eigen redactie van De Afspraak in een officiële mededeling. Dat had wellicht niet enkel met de steekvlammetjes op sociale media te maken, maar ook met druk van minister Sven Gatz, die vandaag dreigt met een “aangescherpte beheersovereenkomst” naar aanleiding van dat interview. De uitzending zou niet voldoen aan de “journalistieke normen” van de VRT en geen context en duiding gecreëerd hebben. Nu kan je beslist wat afdingen op de manier waarop Younes werd ontvangen. De redactie had meer afstand kunnen scheppen, bijvoorbeeld door hem niet met de gebruikelijke egards in de studio te ontvangen. Dat Bart Schols zijn gast aimabel tutoyeerde en met diens versbakken boek zwaaide, wekte de indruk dat we in een doordeweekse “auteur promoot boek” rubriek waren aanbeland, waar deze extremist duidelijk niet thuishoort.
Voor dat soort bedenkingen haal je echter het kanonnengeschut niet boven. Kennelijk was het de VRT-hoofdredactie (of Gatz) ook niet om die omkadering te doen. De uitzending bevatte volgens hen “een aantal uitspraken die strijdig zijn met democratische waarden”. Dat krijg je natuurlijk weleens, als je een gesprek voert met iemand die onze democratische waarden totaal verwerpt. De steen des aanstoots was dus dat De Afspraak überhaupt een jihadi aan het woord liet. In zijn duiding achteraf was hoofdredacteur Luc Rademakers nog explicieter. De studiogast had “meer nood aan medische hulp dan aan media-aandacht”. Zo iemand in de studio uitnodigen is dus al een deontologische blunder.
Ik kan me geen betere illustratie bedenken van het fenomeen dat ik in het laatste hoofdstuk van mijn nieuwe boek lllusies voor gevorderden bespreek: het merkwaardige onvermogen van westerse intellectuelen om zich in te leven in gedachtengoed dat mijlenver af staat van het hunne, en hun neiging om aanhangers van dat gedachtegoed als ‘geestesziek’ of ‘gestoord’ af te doen. Ook in het interview zie je hoe Bart Schols hem in die richting probeert te duwen, als een getroebleerde ‘eenzaat’ met jeugdproblemen. Iemand gek verklaren, is echter een vorm van intellectuele luiheid, een excuus om geen verklaring te hoeven zoeken. De religieuze beweegredenen die fundamentalisten zelf aandragen, zo denken veel seculiere intellectuelen, kunnen hoe dan ook niet de ware zijn. Dan zoeken ze eerst krampachtig naar onderliggende oorzaken als frustraties, achterstelling, uitsluiting of racisme. Die laatste stoplap is in het geval van deze blanke bekeerling niet aan de orde, dus dan blijft alleen nog de geestesziekte en de traumatische jeugd over.
Dit interview biedt net een zeldzame inkijk in de mentale huishouding van een jihadist. In plaats van de zoveelste “expert” aan het woord te laten die in de plaats van extremist uitlegt wat hem “werkelijk” drijft, is het veel leerzamer om naar de kronkels van de extremist zelf te luisteren. En om te horen hoe zo iemand de psychologische speculaties over zijn jeugdproblemen expliciet ontkent. Jihadisten hebben geen aantoonbaar motief om te liegen over hun beweegredenen. In tegendeel, ze zijn altijd bereid om hun absolute Waarheid te verkondigen aan wie het maar wil aanhoren. Zij geloven dat ze de goddelijke plicht hebben om onze democratische samenleving omver te werpen, en die strijd door te zetten tot het kalifaat over de hele wereld uitstrekt, of tot ze allemaal de martelaarsdood sterven. Jihadisten hebben geen onfeilbaar inzicht in hun drijfveren, net zomin als u en ik, maar we moeten hun eigen uitspraken wel ernstig nemen. De uitspraken van Younes Delefortrie in De Afspraak zijn niet uit zijn duim gezogen, maar komen recht uit de catechismus van het jihadisme. Aanhangers van IS en andere jihadistische groeperingen geven heldere en doctrinaire antwoorden op de vragen die hen voorgelegd worden. Zet morgen een andere jihadi in De Afspraak, en je krijgt hetzelfde verhaal te horen.
Maar die boodschap is kennelijk te verontrustend. Veel gemakkelijker is het om Younes als “gestoord” weg te wuiven en monddood te maken, als iemand die niet vatbaar is voor een samenhangend gesprek. De historicus Frank Ankersmit liet hetzelfde optekenen over de terroristen die Charlie Hebdo vermoordden. Dat waren gewoon “volstrekte halve garen”, zoals elke samenleving er wel een bepaald promillage bevat. Het scherpzinnige besluit  van deze gerenommeerde intellectueel: “Er lopen nu eenmaal gekken rond”.
Deze onwil om de ideologie van het jihadisme te begrijpen is niet alleen stuitend, maar ze is ook gevaarlijk. Als we het jihadisme willen bestrijden, dan moeten we weten hoe hun denksysteem in elkaar zit. De tienduizenden aanhangers van IS zijn niet gek: ze zijn gewoon besmet door een aantal gevaarlijke illusies over het paradijs, de eindtijden en de goddelijke plicht tot oorlog tegen ongelovigen. Eens je die bizarre premissen aanneemt en hun theologische posities begrijpt, wordt hun schijnbaar gestoord gedrag volkomen begrijpelijk. Als we onze maatschappij weerbaar willen maken tegen de verlokkingen van het kalifaat, moeten we ons ook met hun gedachtegoed durven confronteren.
Als er iets te gek voor woorden is, dan wel het verwijt dat De Afspraak radicalisering in de hand heeft gewerkt door een forum te bieden aan een gepatenteerde jihadist. Alsof moslimradicalen de VRT nodig hebben om in hun dagelijkse portie haatpraat te voorzien. Alsof een potentiële Syriëstrijder aan de lokroep van predikers op Internet kan weerstaan, tot het moment dat hij een van hen op de barkruk van een televisiezender van de smerige “koefrs” ziet zitten. In feite bewees De Afspraak ons een dienst, ondanks de ongelukkige omkadering. Door openlijk te tonen hoe een jihadi redeneert en gruwelijke misdaden vergoelijkt met theologische argumenten, gaan sommige ogen misschien open. Dat de VRT-bonzen die inkijk willen ontzeggen aan hun kijkers, mogelijk onder druk van de bevoegde minister, en dat ze boven de hoofden van hun redacties aan zelfcensuur doen, is schandelijk.

donderdag 1 oktober 2015

De nostalgie van een ‘groene’ paus

Paus Franciscus geniet de zegening der lage verwachtingen. De man staat aan het hoofd van een autocratisch en reactionair instituut, van oudsher een dood gewicht aan alles wat we aan moderniteit en de verlichting te danken hebben. Elke schrede die hij zet in de richting van onze moderne morele verworvenheden, lijkt verhoudingsgewijs een toonbeeld van moed en vooruitstrevendheid. Dat ligt eraan. Als je een kilometer achterop hinkt en door de halve wereld ter plaatse bent gelaten, rest je weinig keuze dan bij te benen.
De paus is inderdaad, vergeleken bij zijn voorgangers en de historische erfenis van het christendom, de kwaadste niet. Neem zijn standpunt over klimaat en milieu. Bij veel evangelische christenen in de VS moet je met klimaatopwarming niet komen aanzetten. De mens kreeg volgens hen ‘heerschappij’ (Genesis 1:26) over de aarde en mag al haar grondstoffen tot de laatste druppel uitputten. Niemand behalve God kan de aarde om zeep helpen en binnenkort is hij dat sowieso zelf van plan (zie de Apocalyps).
Paus Franciscus vond een ander aanknopingspunt in de christelijke traditie: dat van de mens als goede ‘rentmeester’ over de aarde, aangesteld door God. De natuur, schrijft hij in zijn encycliek Laudato Si, is als een ‘prachtige moeder die haar armen uitstrekt en ons omhelst’. Die beeldspraak klinkt als het gezang van engelenscharen in de oren van ecologisten, van wie de paus nu ruime bijval oogst. De groene activiste Naomi Klein woonde een klimaatsymposium in het Vaticaan bij en loofde de paus om zijn groene gospel. John Vandaele was evenzeer ‘onder de indruk’ van deze ‘geloofwaardige wereldleider’ en ‘inspirator’ (DS 29 september). Hij zou de ‘polsslag van de tijd’ beter voelen dan onze democratisch verkozen premier, zo’n heerschap dat alweer een boom komt opzetten over mensenrechten en gelijkheid tussen man en vrouw.
Klaagzang
Toegegeven, het rentmeesterschap van Franciscus is beslist te verkiezen boven het apocalyptische defaitisme van andere christelijke (en islamitische) strekkingen. Dat de paus klimaatopwarming erkent en naar oplossingen zoekt, is goed nieuws. Maar daar houdt het zowat op. Zijn encycliek bepleit bezuiniging en hekelt economische groei, terwijl enkel dat laatste derdewereldlanden uit de armoede kan tillen. De paus fulmineert tegen grootsteden, terwijl deze door hun grote bevolkingsdichtheid en efficiëntie een lagere ecologische voetafdruk hebben dan het plattelandsleven. Franciscus heeft nostalgie naar een tijdperk waarin de mens nog in harmonie leefde met de natuur. In werkelijkheid hebben jager-verzamelaars, hoewel ze nooit met meer dan enkele miljoenen waren, voor meer ontbossing, soortensterfte en vervuiling gezorgd dan wij zondige kapitalistische stokers ooit hebben gepresteerd.
Doordachte technologische oplossingen kunnen ecologische rampen het hoofd bieden, maar de paus laakt de ‘mythes’ van groei en vooruitgang. De encycliek is een lange klaagzang over de zonden van menselijke hebzucht, het consumentisme, de wegwerpcultuur en de teloorgang van familiewaarden.
Word feminist
De grootste balk in het oog van deze vingerwijzende zondaar, nog los van de obscene rijkdom van zijn instituut, is zijn pertinent verzet tegen geboortebeperking en anticonceptie. Als hij echt met het klimaat was begaan, schreef de feministe Katha Pollitt in The Nation, zou hij feminist worden. Want het beproefde recept tegen armoede is emancipatie van vrouwen. Geef hen geld en vrijheid, om zich te onttrekken aan de rol van broedmachine waartoe vrome oude mannen hen veroordelen, en levensomstandigheden zullen verbeteren en geboortecijfers dalen.
Is de toenadering tussen de paus en sommige ecologisten verwonderlijk? Naomi Klein kneep zich in de arm toen ze het spreekgestoelte besteeg op een persconferentie van het Vaticaan. John Vandaele verbaast zichzelf al evenzeer: ‘Nooit gedacht dat ik zoiets zou schrijven.’ Staak uw verbazing, groene vrienden. Het natuursentimentalisme in sommige groene kringen was nooit verder dan een boogscheut verwijderd van religie. De kerngedachte van monotheïsme is de intrinsiek goede en harmonieuze inrichting van de natuur, precies waar veel groenen ook geloof aan hechten. Het wantrouwen jegens industrie, economische groei en technologische maakbaarheid is de keerzijde van die geloofsbelijdenis. Helaas is dat een grandioze mythe. De kosmos is moreel onverschillig en de levende natuur is een toevallig product van een doel- en meedogenloos proces dat drijft op massale verspilling, dood en vernietiging.
Het geloof van de paus in een liefhebbende Moeder Aarde is dan nog consistenter, vermits het verankerd is in een intelligente schepper. Maar dezelfde religieuze intuïties zweven bij het sentimentele ecologisme in het ijle, zonder enige rationele grond. Die groene pleitbezorgers belijden een godverlaten religie, een schepperloze schepping. Dat zij zich nu verdringen om het kazuifel van de paus te kussen, spreekt boekdelen.

(De Standaard 1/10/15)