woensdag 25 november 2015

Stop je hand niet in andermans boezem

Wijsheid begint bij zelfkritiek. Niets is ergerlijker dan iemand die de splinter in het oog van anderen aanwijst, zoals de Bijbel schrijft, maar de balk in het eigen oog niet ziet. Of toch: nog ergerlijker is iemand die deemoedig over ‘onze’ eigen balk lijkt te spreken, terwijl hij eigenlijk in andermans oog zit te pulken.
Neem deze stellingen:
‘We sluiten onze ogen voor de onverdraagzaamheid in onze samenleving. We leven in de waan van de eigen morele superioriteit. We veroordelen de wantoestanden in verre landen, maar we vergeten dat racisme ook welig tiert in onze samenleving. We spreken in verheven woorden over onze morele waarden, maar we blinken uit in cynisme. We zijn verontwaardigd over de gruwelen van IS, maar doden zelf onschuldige burgers met onze vliegtuigen.’
Klinken bovenstaande frasen bekend in de oren? Ze vormen een pastiche van een stijlfiguur die overal opduikt zodra je erop begint te letten. Lieden die zich beklagen over ‘ons’ cynisme of ‘onze’ onverdraagzaamheid, rekenen zichzelf bijna nooit tot die verzamelde ‘ons’. Overal waar ze ‘wij’ schrijven, bedoelen ze eigenlijk ‘zij’: de neoliberalen, de verdwaasde consumentisten, de rechtse xenofoben, de bange blanke mannen. Als Frans Van Looveren de terreur van IS duidt als ‘ons nihilisme dat in ons gezicht ontploft’ (DS 24 november), bedoelt hij vanzelfsprekend niet zijn nihilisme. Dat ‘wij’ de joods-christelijke traditie hebben veronachtzaamd, met alle doffe existentiële leegte tot gevolg, zal natuurlijk niet aan deze christelijke theoloog gelegen hebben. Van Looveren roept op tot moed om ‘de hand in eigen boezem te steken’, maar zit ondertussen gretig in andermans borstpartij te graaien. Zijn analyse raakt overigens kant noch wal: de fanatici van IS zijn net gedreven door idealisme en een totale devotie voor de heilige zaak. Een klein beetje nihilisme zou hen net deugd doen.
In een ander opiniestuk over IS enkele dagen eerder lezen we dat ‘wij’ ons met ‘verbazingwekkende toewijding’ proberen af te sluiten van de rest van de wereld en wat we daar aan ravages aanrichten (DS 19 november) . Doelen Jan Blommaert en de resem ondertekenaars op de eigen collectieve schuld? Beslist niet. Zij ruimdenkenden waren natuurlijk altijd al gezegend met een brede blik en zin voor nuance.
Retorische truc
Laat ik dit morele superioriteitsdenken, vermomd als deemoedige zelfkastijding, benoemen als wij-bakken. De retorische truc is gewiekst: louter door de vorm lijkt de auteur het eigen denken in vraag te stellen, maar in werkelijkheid is het net andersom. In elke wij weerklinkt een zij, achter elke ons schuilt een hen. Een pronkstuk in het genre is van de hand van Joost Vandecasteele, die een tijd geleden in De Morgen fulmineerde dat ‘onze normaliteit’ een ‘fundamentalistische religie is geworden, met de onwil iets anders te aanvaarden als even legitiem en waardevol’. Maar uiteraard heeft Vandecasteele het over de pensée unique van anderen, van wie hij zelf mijlenver af staat. Niet voor hem is de typisch Vlaamse bekrompenheid, het racisme en de kerktorenmentaliteit. Niet in het oog van deze rechtschapen man zit de balk.
‘Wie zijn wij om anderen de les te lezen? Wie zijn wij om te beweren dat wij de waarheid in pacht hebben?’ De deemoedige woorden zijn van David van Reybrouck, tijdens een lezing enkele jaren geleden. Ze weerhielden hem er niet van om vorige week een hoogdravend betoog af te steken, zwelgend in morele zelfgenoegzaamheid, tegen de president van een natie die net door fanatici met bomgordels en machinegeweren was aangevallen. Die president had het woordje ‘oorlog’ gebruikt, waarin Van Reybrouck echo’s opving van de war on terror van George W. Bush, meer dan genoeg om de president linea recta op de As van het Kwaad van de weldenkende intellectuele goegemeente te plaatsen. Nog een specimen van filosoof Ignaas Devisch, om het af te leren: ‘De kern van ons cynisme: dagelijks aanspoelende lijken maken ons geen flikker uit’. Steekt Devisch hier de hand in eigen boezem, of zit hij elders met zijn handen?
Tirannie van het berouw
De Franse filosoof Pascal Bruckner schreef over de ‘tirannie van het berouw’ waaronder vele Europese intellectuelen gebukt gaan. Dat klopt ten dele. Het morele blazoen van het Westen is besmeurd door zijn koloniale misdaden, zijn gruwelijke slavenhandel en zijn beschamende racisme tot diep in de 20ste eeuw. Het berouw om die historische schuld leidt bij hen (niet ‘ons’) tot een verlammende zelfkastijding, en maakt hen te beschroomd om op te komen voor de waarden van de verlichting, die onterecht als de 'onze' doorgaan omdat ze hier toevallig het levenslicht zagen. De filosoof Roger Scruton bedacht zelfs de term oiko­fobie om naar deze angst of haat voor jezelf en de eigen cultuur te verwijzen. Maar in de meeste gevallen haten deze wij-bakkers zichzelf helemaal niet. Integendeel: ze zwelgen net in de eigen morele goedheid. Hun zelfkritische pose verhult een ordinair zondebokdenken.

Wilt u graag met een beschuldigende vinger naar de splinter of balk in andermans oog wijzen? Prima. Misschien hebt u zelfs gelijk. Maar probeer uw beschuldigingen niet te vermommen als nederige zelfkastijding. Hou op met dat hypocriete wij-bakken.

(De Standaard - 25/11/2015)

zaterdag 21 november 2015

Is religie een struikelblok voor integratie?

(toespraak aan Universiteit Utrecht op 20/11/2015) 

Dames en heren,

Ik wil de vraag die vandaag voorligt positief beantwoorden: religie vormt wel degelijk een struikelblok voor integratie. Daarvoor zal ik twee soorten redenen onderscheiden: de ene heeft te maken met intrinsieke eigenschappen van religie, met religie zelf dus als cultureel verschijnsel. De andere reden heeft te maken met toevallige historische omstandigheden en stom toeval.

Maar eerst religie zelf. Laat ik beginnen met de meest algemene karakterisering van religie. Religies zijn geloofssystemen, gekoppeld aan bepaalde gebruiken en rituelen, die een bovennatuurlijke waarheid uitdragen. In het geval van de openbaringsteksten is die beschreven in een aantal Heilige Boeken, die onfeilbaar zijn en waaraan niet mag getornd worden. In mijn boek Illusies voor gevorderden heb ik de evolutie van religieuze systemen beschreven en me afgevraagd of religies een nuttige rol kunnen vervullen in onze samenleving. Religies zijn culturele producten voortgebracht door de menselijke geest, letterlijk ‘hersenspinsels’. Uiteindelijk kom ik daar tot de conclusies dat religies bijproducten zijn van ons brein, die geen nuttige functie vervullen voor mens of samenleving. Indien ze een doel hebben, dan is het vooral om zichzelf te verspreiden en in stand te houden. Uit dat evolutionair perspectief kan ik een argument puren waarom religies zich bijna per definitie verzetten tegen integratie. In de loop van de geschiedenis hebben mensen talloze goden aanbeden, die nu op het kerkhof liggen, omdat niemand nog bang voor hen is, en niemand nog tot hen bidt. Dat proces kan je zien als een vorm van selectie, maar dan culturele selectie. Goden blijven leven zolang de menselijke verbeelding hen in stand houdt. Sommigen worden verbannen, verworpen of vergeten. Anderen sterven samen met hun gelovigen, nadat deze overwonnen worden door andere volkeren. Nog anderen verwateren in contact met vreemde goden en culturen.

En daar zit het punt. De religies die te kneedbaar waren, die zich te gemakkelijk aanpasten aan veranderlijke omstandigheden, die teveel water bij de wijn deden, die zijn in de plooien van de geschiedenis verdwenen. Talloze goden waren niet succesvol, precies omdat hun aanhangers zich te gemakkelijke integreerden of assimileerden in contact met andere culturen. De religies die het lang genoeg uitzongen, zijn de religies die een heel hechte groepsidentiteit hebben gesmeed, die zich actief hebben verzet tegen assimilatie, die niet duldden dat hun geloofsleer in vraag gesteld werd. Religieuze waarheden zijn niet voor kritische toetsing vatbaar, maar moeten op grond van blind geloof aanvaarden worden. Uit haar eigen aard creëert religie daarom een tweedeling tussen zij die in de waarheid leven, en de buitenstaanders die van de waarheid verstoken blijven. Met andere woorden: religie is de moeder van het wij/zij denken. Blind geloof verdeelt, terwijl twijfel en kritisch denken verbindt.

Neem de merkwaardige duurzaamheid van de Joodse religie, die gedurende bijna drie millennia wist te overleven en haar identiteit bewaren, in een vreemde en vaak vijandige omgeving. Daar slaagde ze in door een gesloten gemeenschap te stichten, met inbegrip van initiatierituelen en gedeelde gebruiken, door een sterke saamhorigheid, door het superioriteitsgevoel ten opzichte van de buitenwereld te cultiveren, door de gedachte dat zij het uitverkoren volk waren. De meest gewiekste manier om die groepscohesie te bevorderen, die we in de boeken Leviticus en Deuteronomium lezen, bestaat erin om het verlaten van de groep met de dood te bestraffen. En iedereen die andere goden aanbidt. En iedereen die zich niet aan de geboden van de ene ware God houdt. Is dat geen geweldige vondst om iedereen in het gelid te doen lopen, om het voortbestaan van de groep te beschermen? Om nergens en bij niemand te integreren?

De twee grote bastaardkinderen van het jodendom – het christendom en de islam – hebben een aantal van die mechanismen ter bevordering van de groepscohesie en het wij/zij denken overgenomen en verfijnd. De belangrijkste vernieuwing in de integratiekwestie, om kort te gaan, was dat ze zelf andere groepen gingen “integreren” in hun ware geloof: ze begonnen proselitisme of zieltjeswinnerij als een heilige plicht te zien. Niet alleen moesten de leden van de eigen groep in het gelid lopen, en alle kinderen zo snel mogelijk in het geloof inwijden, maar vanaf nu werd ook actief moeite gedaan om de waarheid aan de rest van de wereld te verkondigen. Goedschiks of kwaadschiks, soms met zachte overreding, maar soms ook met harde dwang. Proseliterende religies (islam & christendom) zijn een hindernis voor integratie, precies omdat ze het als een geloofsplicht zien om zich daar actief tegen te verzetten, en om de richting van integratie om te draaien. Dat verklaart precies hun overweldigende succes in de wereldgeschiedenis.

Maar dat was toen. Door de globalisering en de moderne communicatietechnologie is er veel meer onderling contact tussen religies en culturen, veel meer wederzijdse beïnvloeding. Door de opkomst van verlichting, met haar waarden van vrij en kritisch onderzoek, worden religies vandaag blootgesteld aan gevaren die ze eerder in hun geschiedenis niet kenden. Mythes botsen met wetenschappelijke kennis, traditionele praktijken worden in vraag gesteld. In steeds meer landen genieten mensen de vrijheid, verankerd in wetten en grondrechten, om van godsdienst te veranderen, om kennis te nemen van andere religies en culturen, om de religieuze illusies door te prikken, genadeloos te bekritiseren of  te bespotten. Religie wordt bedreigd.

Dan kunnen er grosso modo twee dingen gebeuren: ofwel verslapt de greep van religie op onze menselijke geest, verwatert de groepscohesie, worden rituelen en gebruiken steeds minder nageleefd, en verdampt het geloof in doctrines. Scherpe randjes werden afgevijld, verwerpelijke praktijken afgeschaft, bizarre doctrines met de stille trom afgevoerd. Religies matigen ook hun ambities. Gelovigen aanvaarden de scheiding tussen kerk en staat en het primaat van de seculiere rechtsorde boven religieuze bepalingen. Zij maken goddelijke wetten ondergeschikt aan menselijke wetten. Ze proberen hun geloof niet langer aan de rest van de wereld op te dringen, Zij treden in contact met mensen van andere gezindten. In onze contreien werden vele religies de laatste eeuwen gelouterd door de waarden van humanisme en verlichting. Sociologisch onderzoek laat zien dat dit proces steeds verder schrijdt. Na enkele generaties is de macht van God zodanig afgekalfd dat hij slechts een schim is van wat hij ooit was. Liberaal geloof lijkt een tussenstation op de spoorweg van de secularisering. Mensen verliezen ofwel hun geloof, of ze behouden enkel nog de rituelen en symbolen, ontdaan van elke doctrinaire lading. Zij die gelovig blijven, keren de religieuze instituties de rug toe en belijden een private vorm van spiritualiteit.

Maar er is een andere, tegenovergestelde mogelijkheid. In confrontatie met de bedreigingen van de moderne cultuur, gaan sommige religies verkrampen en op zichzelf terugplooien. De aloude mechanismen om de groepscohesie te bevorderen, worden met alle macht ingezet om aan de verlokkingen van de moderne wereld – consumptie, vrijheid, aardse geneugten – te weerstaan, en zich terug te trekken in hun eeuwige waarheden. De goden die nog springlevend zijn, weren zich als duivels in een wijwatervat. De heropleving van religie waarover soms wordt gesproken, betreft vooral deze hardnekkige, assertieve en radicale vormen, die zich niet zomaar door de moderniteit laten temmen, die nog niets aan kracht hebben ingeboet, of zelfs sterker zijn geworden door de uitdagingen van de moderniteit. Precies die religies boeken cultureel succes en zijn een struikelblok voor de integratie, en dan bedoel ik: integratie in ons moderne, seculiere, liberale, democratische bestel. Nu wil ik graag enkele voorbeelden geven van hoe religie de integratie belemmert. In de eerste plaats zal ik het over de islam hebben, omdat deze godsdienst voor de grootste spanningen zorgt in onze multiculturele samenleving. Tot op zekere hoogte zijn deze bedenkingen echter ook van toepassing op het christendom, dat, hoewel deels gelouterd door de verlichting, ook strekkingen kent die zich terugtrekken in fundamentalisme.
-     
** Banvloeken over homoseksualiteit. De Abrahamse religies hebben van oudsher een obsessie met wat we uitspoken in onze slaapkamer De seksuele normen die beleden worden door de islam, christendom en jodendom zijn heteroseksueel. In heilige teksten wordt homoseksualiteit in de strengste termen veroordeeld als een vreselijke zonde, en vaak met de dood bestraft. De meeste vormen van het christendom zijn ondertussen “geïntegreerd” in de moderniteit, en hebben hun banvloeken over homoseksualiteit enigszins afgezwakt. Ze vinden het nog steeds zondig, maar ze vinden niet langer dat het moet bestraft worden. Of ze vinden de daad wel zondig, maar hebben begrip voor de zondaar. In vele strekkingen binnen de islam is deze integratie nog ver te zoeken. Onderzoek van socioloog Mark Elchardus wijst uit dat een kwart van de moslimjongeren in Gent en Antwerpen geweld tegen homo's gerechtvaardigd vindt, drie keer zoveel als bij Vlaamse scholieren. Een enquête bij 500 moslimjongeren uit het Verenigd Koninkrijk wijst uit dat niemand (!) homoseksualiteit ‘moreel aanvaardbaar' acht, en dat 61 procent die geaardheid terug buiten de wet wil stellen. 55 procent van de West-Europese moslims wil geen homo’s als vriend. Wie ontkent dat de islam een voedingsbodem biedt voor homofobie, en een struikelblok vormt voor integratie, is ziende blind.

- *  Interreligieuze huwelijken. Het taboe binnen de islam over huwelijken tussen een moslima en iemand van buiten de geloofsgemeenschap. Dit is een heel concreet struikelblok voor integratie. Huwelijken tussen moslimmannen en vrouwen buiten de geloofsgemeenschap komen vrij regelmatig voor, maar het omgekeerde is veel minder gebruikelijk. Opnieuw heeft deze bepaling een religieuze motivatie. Volgens de Koran mogen mannen met  christelijke of joodse vrouwen trouwen, maar moslima’s nooit met een niet-islamitische man (Soera 60:10). Als gemeenschapen naast elkaar blijven leven, dan is er van diepgaande integratie geen sprake.

-  * Religie voedt vijandsdenken. Zowel in het christendom als de islam zien we dat religieuze groepen zichzelf zien als een belaagde en onderdrukte minderheid, zelfs als ze macht verwierven. Christenen in de V.S. verbeelden zich dat er een “War on Christmas” voltrekt, moslims verbeelden zich dat de Europese beschaving erop uit is om de islam te vernietigen, dat moslims overal als minderwaardig worden beschouwd, dat ze worden gediscrimineerd en uitgesloten. Dat gevoel van frustratie en achtervolgingswaan wordt door jihadistische groeperingen gebruikt als rekruteringsmiddel. Maar het vijandbeeld en wij/zij denken beperkt zich niet tot ISIS en Al Qaeda. De Koran waarschuwt uitentreuren voor de vijanden van de islam, voor de hypocrieten die haar van binnenuit willen ondergraven, en ze maant moslims aan om geen vriendschappen te sluiten met joden en christenen. Ongelovigen, dat spreekt voor zich, zijn helemaal des duivels. Meer dan 50% van de moslims die in Europa leeft, volgens onderzoek van Ruud Koopmans, denkt dat het Westen de islam wil vernietigen. Maatregelen als een verbod op religieuze symbolen, achter het loket of op de schoolbanken, worden door veel moslims gezien als een doelbewuste strategie om de islam klein te krijgen. Wie zich verbeeldt dat zo’n denkbeelden geen struikelblok vormen voor integratie, is ziende blind.

-     * De ideologische verwantschap met radicalisme (jihadisme). De islam kampt vandaag met een belabberde reputatie, door de onophoudelijke stroom van islamitische terreuraanslagen wereldwijd, en ook door de sympathie die ook sommige moslims vandaag ook in Europa voor jihadisme voelen. De meerderheid van moslims treft daar geen schuld aan, maar zowel gematigden als radicalen beroepen zich op dezelfde heilige teksten en hanteren gelijkaardige symbolen. Dat zoiets roet zou strooien in het multiculturele sprookje, stond in de sterren geschreven. Expliciete afkeuringen door religieuze leiders zijn broodnodig (en gebeuren gelukkig) maar gematigde moslims moeten ook in het reine komen met de diepe religieuze wortels van het islamterrorisme. De ogen sluiten en het mantra blijven herhalen dat dit “niets met de islam te maken heeft”, helpt ons geen meter vooruit.

Ik zou deze opsomming nog kunnen verderzetten, maar ik had beloofd om ook iets te zeggen over de toevallige, historisch contingente omstandigheden waardoor religie vandaag een hindernis vormt voor de integratie. De reden daarvoor is de toevallige associatie tussen religie en etnische achtergrond, die een speling is van geografische verspreiding en historische ontwikkeling van religies. Religieus fundamentalisme vinden we in elke religie, maar vandaag bezorgt de islam ons het meest kopzorgen. Een aanzienlijk deel van de nieuwkomers in onze samenleving isislamitisch, en de meeste moslims hebben nu eenmaal een donkerder huidskleur. Die toevallige associatie vertroebelt het integratiedebat. Aan de ene kant wordt kritiek op de uitwassen van de islam beschimpt als "racisme" of "xenofobie", omdat ze onbedoeld een etnische of culturele minderheid viseert. Dat heb ik zelf al meermaals aan de lijve mogen ondervinden. Door een misplaatst "respect" dat de multiculturele ideologie belijdt ten opzichte van religies, in het bijzonder vreemde religies van mensen met een andere huidskleur, worden allerlei wantoestanden vergoelijkt. Fundamentalisten gebruiken onze heilige schrik voor racisme als een schild om hun ideologie straffeloos te propageren. 

Aan de andere kant moeten we ook erkennen dat echte racisten zich achter Verlichtingswaarden en religiekritiek verschuilen, om zichzelf meer salonfähig te maken. Dat gebeurt in Vlaanderen met name bij het Vlaams Belang. Doordat de kritiek op islam lang een braakliggend terrein was, waar andere politieke partijen zich zo ver mogelijk van wilden houden, heeft het Vlaams Belang dat terrein lange tijd opgeëist en naar zich toegetrokken. Progressieve stemmen, op enkele moedige uitzonderingen na, deinsden er lang voor terug om een vreemde godsdienst aan te pakken, zoals ze dat destijds met het christendom deden, uit angst om in de verdomhoek van het racisme geduwd te worden. Die dynamiek is zelfvervullend: ten langen leste wordt de kritiek op "vreemde" culturen en religies overgelaten aan hen die religiekritiek als dekmantel gebruiken om hun vreemdelingenhaat de vrije loop te laten.

En er zijn nog meer stoorzenders. Door de waargenomen associatie tussen fundamentalisme, islam en etnische achtergrond, komen sommigen inderdaad in de verleiding om racistische denkbeelden te ontwikkelen. Maar dat slaat nergens op. Religies zijn geen rassen en hebben geen huidskleur. Iedereen kan verwerpelijke denkbeelden aanhangen, ongeacht zijn etnische achtergrond. Als de blanke bekeerlingen die naar Syrië zijn gaan strijden één onwillekeurige verdienste hebben, is het dat ze aantonen dat de legitieme kritiek op de fundamentalistische islam niets met huidskleur te maken heeft. Het islamitisch jihadisme is een toxische ideologie, ongeacht wie haar aanhangt. Niettemin blijft de associatie in vele geesten huizen. Niet alleen worden gematigde moslims vandaag, zeker na de gruwelijke aanslagen in Parijs, met argusogen bekeken, maar mensen met een donkere huidskleur kampen met dezelfde vooroordelen over die religie die met hun huidskleur geassocieerd wordt, zelfs als ze niet tot die religie behoren. Op die manier kan religieus fundamentalisme dus zelfs racistische denkbeelden in de hand werken of versterken.

Religie is zeker niet de bron van alle kwaad, maar het zaait wel verdeeldheid. wederzijds wantrouwen en wij/zij denken. De meest succesvolle goden, op cultureel vlak, zijn de goden die geen compromissen sluiten, die hun gelovigen strak in het gelid houden, die een strakke scheiding tussen de ingroup en outgroup afdwingen, en die weerbaar zijn tegen invloeden van buitenaf. Dat zijn steeds meer de goden waarmee we vandaag moeten afrekenen. De anderen kwijnen weg of zijn al dood. Religie vormt dus inderdaad een stevig struikelblok voor integratie.

Toondoof voor geloof

In een parabel uit de Joods-Chassidische traditie wandelt een man ’s avonds door het woud, tot hij bij een huis komt waar binnen licht brandt. Door het raam ziet hij hoe mensen op en neer springen en wild met hun armen zwaaien. Wat erg, denkt de man: de arme drommels hebben vast een zenuwziekte, of zijn waanzinnig geworden. Maar de man hoort niet dat binnen muziek speelt. De mensen dansen voor een bruiloft. Als je de tonen van het geloof niet hoort, zo luidt de moraal van het verhaal, dan denk je dat de dansers niet goed bij hun hoofd zijn.
In onze seculiere westerse samenleving, waar God steeds verder op de achtergrond verdwijnt, zijn we vervreemd geraakt van religie en ingedommeld voor de gevaren van blind geloof. De oceaan van geloof, in de woorden van de dichter Matthew Arnold, klinkt als een “melancholisch, langgerekt en terugtrekkend gebulder”. Friedrich Nietzsche hoorde in de verte het geraas van de goddelijke grafdelvers. Religie lijkt een verre echo van lang vervlogen klanken.
Tot ze plots oorverdovend klinkt als het geluid van machinegeweren en ontploffende bomgordels, in de stad waar ooit de beroemde atheïstische salons van de radicale Verlichting plaatsvonden. Want dat is wat de gruwelijke aanslagen in Parijs waren: opgedragen aan een opperwezen, ter meerdere eer en glorie van zijn naam, als bestraffing voor onze aardse geneugten en liederlijkheid, en onze weerstand tegen zijn goddelijke kalifaat. De religieuze motivatie van IS en de talloze aanverwante groeperingen is kraakhelder voor wie zich enige moeite getroost om naar de klanken te luisteren. Godverlaten westerlingen echter, voor wie de naam van de Heere vooral nostalgische en suikerzoete herinneringen oproept, hebben bijzonder veel moeite om zich in de denkwereld van religieuze fanatici te verplaatsen.
Religie, in de ogen van deze lieden, is hoogstens een voorwendsel voor geweld, een dekmantel om de werkelijke motieven te verhullen, of een handig instrument dat booswichten gebruiken om simpele zieltjes te ronselen. De bizarre hersenspinsels waarover jihadisten praten – zoals de lusthof met 72 rondborstige maagden per martelaar en de sloten wijn waarvan je geen kater krijgt – klinken zodanig puberaal dat we ze nauwelijks ernstig kunnen nemen. We geloven niet dat iemand zulks echt kan geloven. Dat onvermogen om religieuze drijfveren te erkennen, delen deze goddeloze westerlingen, ironisch genoeg, ook met veel gematigde gelovigen. Die laatsten zien religie als intrinsiek vreedzaam en goed, en kunnen daarom het potentieel voor haat en geweld in hun eigen heilige teksten niet onder ogen zien, zonder heftige cognitieve dissonantie te ervaren.
In de plaats daarvan proberen deze twee groepen krampachtig een of andere grief of verzuchting te vinden bij de terroristen, herkenbaar vanuit hun eigen geseculariseerde denkkader, die enigszins in verhouding staat tot hun barbaarse daden. Erg populair, ondanks herhaaldelijke weerleggingen, blijven verklaringen als socio-economische achterstelling, jeugdproblemen, werkloosheid, discriminatie en racisme. Of circulaire non-verklaringen als “hersenspoeling” (maar wie spoelde de hersenen van de hersenspoelers?). Of de ultieme stoplap, waarop de man uit de parabel zich beriep: ze zijn gewoon krankjorum, meneer.
Na het doodsvonnis voor Salman Rushdie, of de aanslagen op Charlie Hebdo, waren er westerse zelfkastijders die begrip trachtten op te brengen voor de gekwetste gevoelens van de daders. Die pleitten voor wederzijds respect voor elkaars heilige symbolen. Die desnoods bereid waren om de vermoorde tekenaars – vaak hun eigen politieke bondgenoten ter linkerflank – postuum als een xenofoob zootje te belasteren, dat de aanslagen zelf had uitgelokt door voortdurend een onderdrukte religieuze minderheid te bespuwen en beschimpen. Als we maar ophielden met schunnige prentjes van de profeet te maken, zo klonk het, dan zouden de gemoederen wel bedaren. Ook vandaag blijven er lieden, verbijsterend genoeg, die denken dat IS ons met rust zal laten als we ons maar terugtrekken uit Syrië en Irak. Die niets begrijpen van het inherent expansionisme en de apocalyptische visioenen van de jihadistische ideologie. Die niet willen inzien dat een rechtmatige kalief de religieuze plicht heeft om zelfs het Saoedisch-Wahhabistische Koningshuis omver te werpen, en alle andere ‘afvallige’ moslims te vermoorden.
In mijn boek lllusies voor gevorderden. Waarom waarheid altijd beter is, betoog ik dat illusies zelden onschuldig zijn, en vaak tot onzachte aanvaringen met de werkelijkheid kunnen leiden. De misvattingen van seculiere westerlingen en liberale apologeten over religieus terrorisme benoem ik daar als ‘illusies over illusies’. Het zijn meta-illusies, niet over de wereld zelf, maar over de illusies waardoor anderenbevangen zijn. De waarheid is dat de fanatici van IS in een parallel universum leven, waarin de schepper van hemel en aarde hen heeft opgedragen om een kalifaat te stichten, de sharia te implementeren en de hele wereld gewapenderhand te veroveren, in afwachting (en ter bespoediging) van het eindspel.
Alle gebeurtenissen op het wereldtoneel, zowel de aanslagen in Parijs als onze reactie daarop, zien zij door de lens van hun apocalyptische visioenen, met aan de ene kant de ware gelovigen die voor kalifaat en paradijs strijden, en aan de andere kant de verzamelde kruisvaarders, kafiers, hypocrieten, afvalligen en ketters. Naar die finale showdown, met de Messias (Mehdi) en de Satan (Dajjal) in de hoofdrol, en ook een cameo voor een zekere Jezus (Jesjoea), kijken ze reikhalzend uit. Niet toevallig is het officiële glossy van IS genoemd naar Dabiq, de plaats waar we goddelijke stoottroepen de “legers van Rome” finaal in de pan zullen hakken.
De terroristen van IS zijn gek noch gehersenspoeld. Ze zijn gewoon bevangen door een aantal gevaarlijke illusies over de bovenmaanse wereld, die diep geworteld zijn in de Koran en de islamitische traditie. Zolang we denken dat IS wereldse belangen nastreeft, dat ze onderhandelbare eisen stelt, dat ze onze militaire interventies wil afschrikken in plaats van aanmoedigen, dat ze vrede zal nemen met het lapje grond dat ze in het tweestromenland heeft veroverd, of dat ze niets met de islam te maken heeft omdat de meeste van hun slachtoffers moslims zijn, leven we zelf in een waanwereld. Dan blijven we toondoof voor de danse macabre van het religieus fanatisme.
(Verscheen onder de titel "Hoor dan toch de dodendans" in Trouw, 21/11/2015)

woensdag 4 november 2015

Is your brain wired for science, or for bunk?

Science education is an uphill battle. More than 40% percent of the U.S. population, one of the most scientifically advanced countries on the planet, believes that the earth was created in six days by supernatural fiat a few millennia ago. Ghosts, gods, angels and devils continue to populate people’s fertile imagination. Belief in telepathy and assorted psychic powers is rampant, as is belief in all sorts of quack medicine and conspiracy theories. It is no wonder that some scientists and science educators are driven to desperation: why don’t people just get it? Why do they doggedly persist in the myths of old, or the fads of late, as if the scientific revolution has never taken place? 

Meanwhile, the progress of science continues unabated, with an ironic twist. Science does not just explain the way the universe is; it also explains why people continue to think the universe is different than it is. In other words, science is now trying to explain its own failure in persuading the population at large of its truth claims. Decades of research in cognitive psychology have revealed that our brains, alas, are just not wired up for science. Or at least not for the fruits of scientific research. To be sure, science is a product of human brains (where else would it come from?), but as scientists have made progress, they have come up with theories and views that are increasingly hard to swallow for those same brains. Take evolutionary theory, a crowning achievement of science. Our minds are prone to find purpose in nature (intuitive teleology), but evolution says there isn’t any: all is blind chance, mindless necessity and pitiless indifference. Our minds like to think of biological species as immutable categories separated by unbridgeable chasms (intuitive essentialism), but evolutionary theory just talks about imperceptibly shifting populations and changes in gene frequencies. Our minds can just about conceive of a thousand years, but scientists estimate that life on earth has been evolving since 3.8 thousand times thousand times thousand years ago. It’s hard to get your puny human brain around such things.Science education is an uphill battle. More than 40% percent of the U.S. population, one of the most scientifically advanced countries on the planet, believes that the earth was created in six days by supernatural fiat a few millennia ago. Ghosts, gods, angels and devils continue to populate people’s fertile imagination. Belief in telepathy and assorted psychic powers is rampant, as is belief in all sorts of quack medicine and conspiracy theories. It is no wonder that some scientists and science educators are driven to desperation: why don’t people just get it? Why do they doggedly persist in the myths of old, or the fads of late, as if the scientific revolution has never taken place?

In Why Religion is Natural and Science is Not, philosopher Robert McCauley offers ample demonstrations of the truth of his book title. Many scientific theories run roughshod over our deepest intuitions. Lewis Wolpert even remarked that “I would almost contend that if something fits with common sense it almost certainly isn't science.” It is not so much that the universe is inimical to our deepest intuitions, it’s that it does not care a whit about them (it’s nothing personal, strictly business). And it gets worse as we go along. Newton’s principle of inertia was already hard to get your head around (uniform motion continuing indefinitely?), but think about the curvature of space-time in general relativity, or the bizarre phenomena of quantum mechanics, which baffle even the scientists who spend a lifetime thinking about them. Science does not have much going for it in the way of intuitive appeal.
Bearing all that in mind, it may seem remarkable, not that so many people refuse to accept the scientific worldview, but that so many have embraced it at all. Of course, science has one thing in its favor: it works, bitches. Every time your GPS device tells you where you are, or you heat up your soup by bombarding it with invisible waves, or you blindly entrust your fate in the hands of an able surgeon, you are relying on the achievements of science. Science is culturally successfuldespite the fact that it clashes with deeply engrained intuitions. By and large, people accept the epistemic authority of science—sometimes begrudgingly—because they admire its technological fruits and because deep down they know it is reasonable to defer to the expertise of more knowledgeable people. Without its technological prowess, which ultimately derives from the facts that it tracks truth, the scientific worldview would wither away. No system of beliefs could succeed in convincing so many people of so many bizarre and counterintuitive things, unless the truth was on its side, at the least most of the times.

We can see that if we compare science with some of its contenders: religion, superstition, ideology, and in particular pseudoscience – belief systems that actively mimic the superficial trappings of science, trying to piggy ride on its cultural prestige. By definition, pseudoscience doesn’t have truth on its side (except by a sheer stroke of luck), or else we would just call it ‘science’. Because they defy reality, pseudosciences can boast of no genuine technological success. The army does not hire psychics (or so one hopes), homeopathy only has nothing but the placebo effect to count on, and creationists are marginalized in the scientific community, despite their persistent campaign for recognition.

But how do pseudoscience and other weird belief systems survive and sustain themselves? They profit exactly from that which is lacking in science: intuitive appeal. Almost all pseudosciences tap into the universal cognitive biases, intuitions and heuristics of the human mind -- courtesy of evolution by natural selection. Intuitive appeal makes up for lack of epistemic warrant. Take alternative medicine. Many quack reme dies are based on the intuitive physical processes. There are energy streams to be channeled, blockades to be lifted, and tensions to be released. People see health as a “balance” between different elements of forces (as in the ancient theory of humors), and sickness as disturbance of this balance. Alternatively, illness can be conceived of as a contamination by a harmful or filthy substance, which needs to be expelled from the body. In many cultures across the world, people cut open veins to purge patients from ‘bad blood’. Bloodletting has evolved many times over, independent from each other. Modern westerners detox and purify their colons, or open up and cleanse their chakras with healing crystals. If you find these rituals of purification intuitively plausible, the placebo effect will take it from there.

Even a form of alternative medicine such as homeopathy, which may strike the scientifically literate reader of this website as the height of absurdity, is based on simple and intuitive principles. The ritual of diluting and shaking taps into intuitive essentialism: an intangible essence is imprinted on the water, and becomes more potent as the process is repeated over and over again. The homeopathic similia principle, which states that ‘like should be cured with like’, can be found in many other alternative therapies, and is a form of what James Frazer called ‘sympathetic magic’: to get cured from a disease, you have to find a remedy sharing the same “essence”. Many people find it intuitively plausible that, if you are ill, you should take some hair of the dog that bit you. (Indeed, this phrase was once literally put into practice, as a cure against rabies).

And then of course there are explanations in terms of agents and intentions, which are intuitively very satisfying to the human mind. Once people find an agent behind the scenes, they achieve psychological closure and stop looking for further explanations. Reality, alas, does not provide much satisfaction in that regard. Modern science has largely abandoned intentional explanations of natural phenomena, and at the most basic level of reality, it only admits of chance and necessity, both of which are blind and impersonal. Many pseudosciences, however, still satisfy our desire for intentional explanations. This is obvious enough in the case of Biblical creationism and other forms of religious pseudoscience, but it also holds for conspiracy theories, superstition and paranormal belief. One of the primary cognitive roots of conspiracy thinking is that our brains are prone to detecting agency in random patterns or meaningless events. In some pseudosciences, the agents are not immediately apparent: the intentional explanations are still there, but they are no longer anchored in identifiable agents. Examples of such agentless intentionality in pseudoscience are concepts such as fate, karma or élan vital, and the widespread idea that there is some meaningful order in the cosmos, such as we find in astrology and New Age spiritualism.

The problem, alas, is that the world out there does not care a whit about our intuitive whims. Reality, as the science fiction writer Philip K. Dick wrote, is that which, when you stop believing in it, doesn't go away. An idea may be intuitively palatable or psychologically comforting, but if it flies in the face of reality, it is psychologically unstable. If our beliefs and reality collide, it is usually our beliefs that must yield. So why is there still so much nonsense around? It may be interesting to adopt the perspective of the beliefs themselves here, or the ‘memes’, as Richard Dawkins coined them. If a belief system is to survive in a population of human brains, it has to be intuitively appealing and easy to process and remember. But it also has to reckon with the world out there. If a belief system is blatantly false, it will not find any receptive adherents. In our scientific age, beliefs are increasingly exposed to critical scrutiny and controlled testing, which can be seen as a ruthless form of cultural selection. Religion and supernatural belief systems have partly solved this problem by lifting their claims outside of the visible realm altogether, and also by intimidating and browbeating dissenters: questioning is taboo, criticism is blasphemy, and apostates should be punished.

Pseudoscientific belief systems cannot easily resort to such drastic measures, as these memes are trying to mimic the trappings of science, including its deference to evidence and its culture of open questioning and criticism. Pseudoscience rides piggyback on the prestige of science in our modern age, so it has to look scientific. But how do they pull that off? Apart from adopting the trappings of modern science (technical jargon, experimentation, conferences, peer-reviewed magazines), pseudosciences have developed certain ‘strategies’ to cope with the threat of adverse evidence, and to resist critical scrutiny. In my dissertation Here Be Dragons. Exploring the Hinterlands of Science,and in a series of papers with the philosopher Johan Braeckman, I refer to these as ‘immunizing strategies’ and ‘epistemic defense mechanisms’. These are clever tricks, sometimes embedded in the belief system itself, that serve to protect it from refutation, and to give it a spurious ring of plausibility. One very neat trick is to give a theory-internal explanation for opposition against the theory itself. Sigmund Freud, one of the cleverest pseudoscientists of his age, famously suggested that the opposition against psychoanalysis bears out one of its main predictions: that everyone is under the spell of unconscious forces, which are secretly trying their utmost to hide the inconvenient truths of Freudian theory. Those who attack psychoanalysis, Freud wrote, display “the same resistance as in our patients”, and this resistance “finds it easy to disguise itself as an intellectual rejection and to bring up arguments like those which we ward off in our patients”. Thus the “argument from resistance” was born, and became a staple of the psychoanalytic arsenal. Scientologists and Marxists have constructed their own version of the resistance argument. It is quite neat, as it is a trump card that can be used in any discussion, against any given argument.
But there are plenty of other immunizing strategies. Parapsychology has built-in ad hoc clauses to deal with unwelcome data. For instance, many parapsychologists believe that the presence of inquisitive minds disturbs psychic phenomena, a phenomenon that is called ‘‘negative psi vibration’’ or ‘‘catapsi’’ (notice the technical jargon). In the words of one of the followers of Franz Anton Mesmer, the famous 19th century magnetizer, ‘never magnetize before inquisitive persons!’. 

Defenders of alternative medicine have devised another immunizing strategy against overly inquisitive persons bent on putting their remedies to the test. The argument goes like this: “Every human subject is radically unique, so every treatment is different. In our holistic approach, one cannot just generalize across individuals. Our methods are not accessible to anything so crude and reductionist as a randomized clinical trial.” If you give it a minute of thought, this argument makes little sense, but it sure sounds convincing in the ears of believers. Should one not respect the uniqueness of every individual, rather than reducing people to numbers and data points?
Many pseudoscientific claims are also moving targets, amenable to a range of interpretations. This is notoriously so in the case of astrology and assorted forms of fortune-telling. Horoscopes may look as if they contain specific predictions or interesting observations about your character, but as soon as they are threatened with falsification, they become vague or turn into metaphors. This can also be seen as an immunizing strategy. Many such predictions lead a conceptual “double life”, as the philosopher Frank Cioffi put it, expanding and contracting as the occasion calls for.

If a belief systems postulates invisible intentional agents, as many pseudosciences do, a whole range of immunizing strategies opens up: the fairies in the garden may be shy and actively evade being detected, the secret conspirators may be planting false evidence to throw us off the scent, the visiting extraterrestrials may not want to disclose their visitations. The same goes for religion, of course: God can test our faith by playing hide and seek, or the devil may tempt us with clever skeptical arguments. (Some creationists believe that Satan himself whispered the idea of evolution in Darwin’s ear).
How do immunizing strategies work? Our minds tend to search for confirmations of our beliefs, and do not actively seek out adverse information. This so-called myside bias may lead to tunnel vision and belief perseverance. Immunizing strategies exacerbate this bias, by turning refutations into confirmations and by giving us the perfect excuse to turn a deaf ears to critics. In this way, immunizing strategies prevent people from getting rid of bad beliefs. The philosopher Stephen Law called such belief systems “epistemic black holes”: once you are sucked into one of them, it is extremely hard to get out.

In a recent paper in Philosophical Psychology, co-autored with Stefaan Blancke and Massimo Pigliucci, we have compared the cultural dynamics of science and pseudoscience, developing what Dan Sperber called an ‘epidemiology of representations’. This approach maps how beliefs (or ‘memes’) spread in a population, like viruses affecting the mind. The framework can be applied to any form of cultural representations, so it works for science and pseudoscience alike. There are just different selective processes at work. Science has achieved cultural stability – in the community of experts but also in the population at large – because it works and because it is true, despite the fact that it flies in the face of pretty much every human intuition. Pseudoscience, on the other hand, can thrive because it taps into our innate intuitions and biases, and because it is protected by its own in-built survival kit. Both are culturally ‘successful’, but for completely different reasons.

See more at: http://www.3quarksdaily.com/3quarksdaily/2015/11/is-your-brain-wired-for-science-or-for-bunk.html