donderdag 31 maart 2016

Raketten, penissen en handtastelijkheden

In de reeks “geniale denkers”, bracht Kristien Hemmerechts deze week een prachtige hulde aan Sigmund Freud (DM 19/3). Dankzij Freud, zo herinnert ze ons, weten we dat handtassen symbool staan voor baarmoeders, en dat geweren, raketten, boten en binnenrijdende treinen even zovele penissen zijn. Enkel meisjes willen immers met een handtas rondlopen, zo merkt Hemmerechts op, jongens daarentegen onder geen beding. Deze scherpe observatie is een treffend voorbeeld van hoe de psychoanalyse ons ook vandaag toelaat om fenomenen te begrijpen die anders raadselachtig zouden zijn. Freud zelf zag de handtas eerder als symbool voor de vagina, bijvoorbeeld in zijn analyse van de pati├źnte Dora, die hij op een cruciaal moment betrapt terwijl ze zenuwachtig met een wijsvinger in en rond  de gleuf van haar handtas tast. De beroemde analyticus ontmaskerde dat neurotische gedrag terstond als een gesymboliseerde masturbatie, waarbij de ‘gleuf’ voor de vagina staat.  

Ook vandaag blijft de psychoanalyse actueel. Mijns inziens legt de theorie van Hemmerechts over handtassen de vinger op wat zich op oudejaarsnacht in Keulen afspeelde. Zoals bekend, spraken sommigen daar van een massa-aanranding, terwijl anderen volhouden dat het louter om handtasdiefstallen ging. Binnen een Freudiaanse denkkader, is deze tegenstelling tussen een seksuele en niet-seksuele drijfveren natuurlijk simplistisch. Indien de handtas symbool staat voor de vagina/baarmoeder (de anatomische details doen minder ter zake) begrijpen we dat ook een “handtassendiefstal” een gesublimeerde vorm van verkrachting is. Voor wie de theorie├źn van Jacques Lacan over betekenaars en het onbewuste gelezen heeft,  spreekt het portmanteau-woord “handtastelijkheden” natuurlijk boekdelen.

Een andere prikkelende observatie is dat raketten penissen zijn (of net het ejaculaat?), afgevuurd door landen die willen tonen dat ze “de grootste en de sterkste” hebben. Bemerk echter dat de grootste en zwaarste kernkoppen zelden worden afgevuurd, maar heimelijk bewaard en opgestapeld. Waarom pronkt onze premier niet met zijn nucleaire fallus, maar houdt hij hem stiekem verborgen in Kleine Brogel? En waarom was de codenaam voor de bom op Hiroshima “Little Boy”? In deze context zou ik eerder de inzichten van Freud over “infantiele incontinentie” aanbevelen. Een laattijdige zindelijkheid bij kinderen, zo leerde Freud ons, kan op volwassen leeftijd tot een “anaal-retentieve persoonlijkheid” leiden, geneigd tot controledrang en opkroppen van emoties. Kan dat een verklaring bieden waarom grootmachten hun nucleaire arse-naal (of ars-anaal) ophouden? 

donderdag 3 maart 2016

Wij-bakken

Wat te doen als iemand je betrapt op een denkfout? Probeer vooral niet de bal terug te kaatsen (‘Jij redeneert ook krom!’), of je bezondigt je meteen aan een tweede denkfout: de jij-bak, oftewel de ‘tu quoque’ drogreden. Kinderen hebben het jij-bakken snel onder de knie: grote broer moet mij de les niet spellen, want zijn kamer is zelf niet opgeruimd. En als vader ons in de oren knoopt dat sigaretten ongezond zijn, waarom rookt hij dan zelf een pakje per dag?

Logisch gezien is de jij-bak ongeldig: mijn fouten worden niet tenietgedaan door de jouwe. Maar daarom is het argument nog niet waardeloos. Een jij-bak kan soms nuttig zijn om hypocrieten te ontmaskeren, die zelf niet doen wat ze prediken. Een van de beroemdste jij-bakkers is Jezus. ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen,’ zo vermaant hij de woedende meute die een overspelige vrouw wil stenigen. ‘Gij kijkt naar de splinter in andermans oog,’ zo klinkt het in Bergrede, ‘maar gij merkt de balk niet op in uw eigen oog.’

Behalve de jij-bak is er ook een retorische kunstgreep die ik in een stuk in De Standaard onlangs de ‘wij-bak’ heb genoemd. Bij de wij-bak wijs je met een beschuldigende vinger naar anderen, maar je vermomt je betoog als zelfkritiek, door consequent de wij-vorm te hanteren. Je spreekt over “onze” fouten, maar eigenlijk bedoel je altijd die van anderen. Deze valse deemoed duikt vaak op in debatten over integratie en multiculturalisme. De wij-bakkers hebben het bijvoorbeeld over “onze” onverdraagzaamheid en “onze” morele onverschilligheid, maar rekenen zichzelf nooit tot die “ons”. Overal waar ze "wij" schrijven, bedoelen ze eigenlijk "zij": de bekrompen xenofoben, de neoliberalen, de consumentisten, de bange blanke mannen...  In elke “wij” weerklinkt een “zij”, achter elke “ons” schuilt een “hen". Je wekt de indruk dat je over de balk in je eigen oog spreekt, maar eigenlijk zit je in andermans oog te pulken. Benieuwd wat Jezus daarvan zou gedacht hebben.


Begrijp me niet verkeerd. Soms kan het gebruik van een brede “wij” nuttig zijn, bijvoorbeeld als we kritiek leveren op wat "onze" politieke vertegenwoordigers aanrichten in de rest van de wereld. Dat is gewoon een stijlfiguur. Wij-bakken daarentegen is een vorm van geveinsde zelfkastijding: je wekt de indruk kritisch over jezelf te zijn, maar intussen sluit je jezelf buiten de "wij" en “ons” waarvan sprake is. De wij-bakker beweert de hand in eigen boezem te steken, maar zit eigenlijk in andermans borstpartij te graaien.

(Column 'Denkfouten' - Filosofie Magazine)