donderdag 16 juni 2016

De olifant in de roze kamer

(De Standaard, 12 februari 2013) 
Nieuw onderzoek onder de leiding van socioloog Mark Elchardus, promotor bij het Jeugdonderzoeksplatform (JOP) wijst uit dat een kwart van de moslimjongeren in Gent en Antwerpen geweld tegen homo's gerechtvaardigd vindt, drie keer zoveel als bij Vlaamse scholieren. Die bevinding bevestigt eerder onderzoek van socioloog Marc Hooghe over homofobie onder moslimjongeren en talloze internationale cijfers. Een enquête bij 500 moslimjongeren uit het Verenigd Koninkrijk wijst uit dat niemand (!) homoseksualiteit ‘moreel aanvaardbaar' acht, en dat 61 procent die geaardheid terug buiten de wet wil stellen. De helft van alle Turken in Duitsland gelooft dat homoseksualiteit een ziekte is. In Frankrijk zijn de cijfers iets hoopgevender: 35 procent van de ondervraagde moslims aanvaardt homoseksualiteit. In nagenoeg alle moslimlanden is homoseksualiteit strafbaar, soms met de dood (Mauritanië, Iran, Saudi-Arabië, Soedan…).
Wie ontkent dat monotheïstische religies een belangrijke voedingsbodem zijn voor homofobie, is ziende blind. Geen letter echter wijdt het ‘Interfederaal actieplan tegen homofoob en transfoob geweld' aan deze olifant in de kamer, noch aan overleg met geloofsgemeenschappen (DS 31 januari) . Jozef De Witte, directeur van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, en Mohammed Chakkar van de Federatie Marokkaanse Verenigingen klinken eensluidend: religie heeft hier ‘niets mee te maken' en geloofsleiders zijn niet verantwoordelijk'. Bij welk ander maatschappelijk probleem pleiten we voor loutere symptoombestrijding en knijpen we een oog dicht voor onderliggende oorzaken?
Politiek correcte kramp
Natuurlijk zijn niet alle moslims homohaters. En natuurlijk vind je homohaters in elke gemeenschap. In eender welke andere context begrijpt men dat een oorzakelijk verband tussen A en B niet inhoudt dat B noodzakelijk volgt uit A, of andersom. Geen verstandig mens redeneert dat roken ‘niets te maken heeft' met longkanker omdat opa tot op zijn 95ste kettingroker was, of nooit een sigaret aanraakte en toch longkanker kreeg.
Enkel verstokte rokers en tabaksbaronnen hebben een motief voor dat soort kromdenken, net zoals enkel een politiek correcte kramp kan verklaren waarom Chakkar het verband tussen religie (in casu de islam) en homofobie wegwuift met de dooddoener ‘homohaters vind je in elke gemeenschap'. In een complexe wereld moeten we vrede nemen met tendensen en correlaties, mits wat speurwerk ontwarren we ook oorzaak en gevolg. Elk van de monotheïstische godsdiensten verafschuwt homoseksualiteit. In het Oude Testament worden homo's tot de doodstraf veroordeeld (Leviticus), net zoals in verschillende islamitische Hadith. In het Nieuwe Testament (Romeinen) toont God zich creatiever en bestraft hij afvalligheid door de goddelozen tot homoseksualiteit en andere ontucht te drijven (niet onaantrekkelijk als alternatieve straf voor het eeuwige hellevuur).
In deze contreien heeft het christendom zijn tanden verloren, gelouterd door enkele decennia secularisatie, waardoor de angel uit de Heilige Schrift is gehaald. Moreel bedenkelijke of wraakroepende Bijbelpassages worden door zelfverklaarde christenen al lang discreet weggemoffeld, al blijft het verzet van christenfundi's (zoals de aftredende paus) tegen homoseksualiteit onverminderd voortduren. De grote islamitische scholen echter belijden nog steeds een vorm van religieus geloof waarin de Koran het eeuwige, onfeilbare en onveranderlijke woord van God is. Dat schept minder ruimte voor creatieve uitlegkunde. Zelfs moedige moslims die zich openlijk uitspreken tegen homogeweld en -discriminatie (zoals de populaire Nederlandse preker Al Khattab), verplichten zichzelf tot een hachelijke spreidstand: de daad is weliswaar ‘zondig', want dat staat in de Koran, maar de zondaars zelf moet men ongemoeid laten. Dat is lovenswaardig, maar ook weer hypocriet: homofobe agressie is de logische aberratie van de dwaling dat het om een zondige daad gaat. Hoe progressiever de religieuze geest, hoe groter de nood om omstreden passages weg te verklaren. De fundamentalist daarentegen heeft het voor de wind: de Koranverzen liggen zo voor het grijpen.
Regenboogshirts
Behalve de effecten van opleiding en socio-economische status heeft homofobie ook diepere psychologische wortels. Ze komt voort uit een onzalige link tussen menselijke reinigingsmoraal, seksuele zeden en een aangeboren neiging tot essentialisme: ‘dit is de natuurlijke orde, en zo behoren we ons ook te gedragen'. Morele walging tegenover ‘afwijkend' seksueel gedrag kan zich op die manier gemakkelijk in menselijke geesten nestelen en verspreiden. De dwingende seksespecifieke norm is hier van groot belang: religieuze homohaters walgen vooral van de ontvangende/passieve partij bij homoseks, omdat deze aan zijn ‘natuurlijke' masculiene dominantie zou verzaken. Die psychologische neigingen moeten we met verlichte en rationele moraal bestrijden.
Een appreciatie van de persoonlijke vrijheid, de zelfbeschikking en het schadebeginsel leert ons dat er geen enkel moreel bezwaar kan zijn tegen homoseksualiteit. Biologische evolutie (nog zo'n religieus pijnpunt) is per definitie moreel onverschillig, dus wat natuurlijk is, is niet per se goed. Voor wat het waard is, hoewel dus eigenlijk irrelevant: homoseksualiteit is wijdverbreid in het dierenrijk en vastgesteld bij honderden soorten.
Religie staat deze verlichte moraal in de weg, omdat ze leert dat de natuur op een doelbewuste manier is ingesteld door een bovennatuurlijke autoriteit. De heilige boeken van het monotheïsme bekrachtigen onze neiging tot moralisering van andermans seksualiteit door ze tot kosmische proporties te verheffen en als onfeilbare geboden van een almachtige schepper te rechtvaardigen. Een actieplan dat de religieuze wortels en legitimatie van homohaat negeert, dweilt niet alleen met de kraan open, het ontkent zelfs dat er een kraan loopt. De geloofsgemeenschappen moeten absoluut betrokken worden in zo'n actieplan, zoals Bruno Tuybens (SP.A) opperde, net zoals bijvoorbeeld de allochtone holebi-vereniging Merhaba. Misschien kan het geëmmer over regenboogshirts achter loketten dan eindelijk ophouden? Godsdienst is wel degelijk een obediëntie (geen ironie deze keer), helaas één die zich niet beperkt tot vrolijke klederdracht.

dinsdag 14 juni 2016

Van Augustinus tot Zawahiri. Over watmetterij.

Onlangs kocht ik een boekje genaamd Lost in Translation, een verzameling van unieke en onvertaalbare woorden in diverse talen. Neem het prachtige Jiddische trepverter, letterlijk ‘trapwoorden’: een slimme riposte waar je pas aan denkt als je terug thuis bent en naar je slaapkamer gaat. Of het Indonesische jayus: een grap die zo slecht is, en zo belabberd verteld wordt, dat je onwillekeurig toch moet lachen. Een bekender voorbeeld is het Duitse Schadenfreude. Dergelijke woorden zijn uniek voor een bepaalde taal, maar hetgeen waarnaar ze verwijzen, is universeel herkenbaar. Dat een taal geen woord kent voor een begrip, wil niet zeggen dat die situatie of ervaring onbekend is in die taalgroep. Niet enkel Duitsers kunnen Schadenfreude voelen, en niet enkel Indonesiërs lachen met slechte grappen.
Engelstaligen kennen het woord whataboutery, dat gemunt werd tijdens de conflicten in Noord-Ierland in de jaren 90. Het verwijst naar de neiging om, in plaats van op een betoog in te gaan, te pareren met de retorische vraag: ‘But what about X?’ Die vraag verschuift de discussie, en bevat vaak een verholen beschuldiging van hypocrisie of dubbele standaarden: waarom zwijg je over mijn favoriete onderwerp (vul zelf in: klimaatopwarming, walvissenjacht, kruistochten, belastingontduikers…)? Vind je dat soms niet belangrijk? Vanwaar die obsessie voor je eigen stokpaardje?

 

Watmetterij

Dat er in het Nederlands geen woord bestaat voor whataboutery, wil niet zeggen dat de praktijk hier niet wordt bedreven. Een klinkende bevestiging daarvan vond ik in het opiniestuk van de historicus Jeroen Bouterse over mijn essay ‘Disbelief in Belief’ op de website 3 Quarks Daily. Nochtans begint het goed. Mijn Joodse parabel over de toondoofheid voor geloof klinkt Bouterse ‘als muziek in de oren’. In onze seculiere maatschappij, zo betoogde ik, zijn we stilaan vervreemd geraakt van geloof. We kunnen ons nauwelijks nog voorstellen hoe het voelt om oprecht te geloven in religieuze doctrines en dogma’s. Maar toch moeten we die denkoefening maken. Wie de muziek van het geloof niet hoort waarop gedanst wordt, of wie zijn oren dichtstopt, zal verkeerdelijk besluiten dat de dansers gek zijn, of aan een vreemde ziekte lijden. Bouterse is het zelfs met me eens dat religieus geloof een belangrijke drijfveer is van jihadisme. Dan is hij het wellicht ook eens dat veel ontkerkelijkte westerlingen, die zich nauwelijks nog iets bij religie kunnen voorstellen, die religieuze motivatie schromelijk onderschatten. Dat is de ‘disbelief in belief’ uit de titel van mijn stuk: het onvermogen om te geloven dat mensen echt in hemel en hel geloven.
Na deze captatio benevolentiae – een woord waar alweer geen Nederlandse vertaling voor bestaat – is het tijd voor Bouterse om de handschoenen aan te trekken. Er volgt een merkwaardige paragraaf aaneengeregen met retorische vragen:
‘Waaraan’, zou ik Boudry vervolgens willen vragen, ‘denk je in de eerste plaats, wanneer je ons oproept religieus denken niet te negeren?’ ‘Ben je gegrepen door de rijkdom van Augustinus’ filosofie, en wil je ons aanmoedigen hem vooral te lezen ondanks het feit dat hij de hele tijd maar over die “God” praat? Vind je dat de middeleeuwse islamitische theoloog Al-Ghazali een paar interessante wetenschapsfilosofische thema’s aansnijdt wanneer hij bijvoorbeeld zegt dat natuurwetten niet kunnen bestaan, ook al snijdt hij die thema’s aan in dienst van een diep theocentrisch wereldbeeld? Of vind je het ook zo interessant dat de geschiedenis van dat westerse seculiere en wetenschappelijke denken zo vervlochten is met de vroegmoderne religieuze context?’
Blijkbaar hebben we hier in de Lage Landen toch een term nodig voor ‘whataboutery’. In de context van cultuurrelativisme stelde ik onlangs de term wafelijzermoraal voor: de eis dat we enkel over misstanden elders ter wereld mogen spreken wanneer we in één adem ‘onze’ eigen fouten toegeven. Maar de strategie van Bouterse is breder en heeft weinig met relativisme te zien. Laat ons het op watmetterij houden. In dit geval dus: ‘allemaal goed en wel, dat jihadisme, maar wat met Augustinus en Al-Ghazali?’ Eens je het spel kent, kan je de bal makkelijk terugkaatsen: waarom richt Bouterse zijn pijlen uitgerekend op mijn essay? Wat met al die andere belangwekkende, prikkelende, relevante stukken op 3 Quarks Daily en elders? Zouden we ons eigenlijk niet beter met Donald Trump bezighouden?

 

Ingebeelde vriend

Niemand kan over alles tegelijk schrijven, ook Jeroen Bouterse niet. Indien hij echter de moeite had genomen om mijntwee academische artikelen te lezen waarop het populariserende essay in 3 Quarks Daily gebaseerd is, dan zou hij gemerkt hebben dat het me lang niet enkel om jihadistische heethoofden te doen is, maar om religie in het algemeen. Mijn artikel is een kritiek op een nieuwe cognitieve theorie van religie die werd ontwikkeld door de filosoof Neil van Leeuwen. Volgens Van Leeuwen moeten we religieus geloof niet zozeer als feitelijke overtuigingen over de wereld opvatten, maar eerder als een vorm van quasi-fictieve verbeelding. God is volgens hem een soort ingebeelde vriend voor gelovigen, die wordt ingeschakeld binnen de religieuze context, maar niet daarbuiten. Als moeder roept dat het etenstijd is, ga je geen extra bord op tafel zetten voor je ingebeelde vriendje. Dan wordt die vriend cognitief ‘uitgeschakeld’. Voor je zusje zet je wel een bord, want je bezit een feitelijke overtuiging dat je zusje bestaat, die je handelen stuurt in elke cognitieve context. Je ingebeelde vriend daarentegen bestaat maar zolang de speelpauze duurt. Op dezelfde manier, zo stelt Van Leeuwen, wordt ‘God’ geactiveerd binnen het religieuze spel, maar daarbuiten genegeerd.
Ik vind die theorie bijzonder onwaarschijnlijk. Religieuze overtuigingen hebben weliswaar enkele bijzonder kenmerken (de mystiek, het ontestbare karakter, de rol van ervaring en openbaring) maar in een belangrijk opzicht zijn ze gelijkaardig aan niet-religieuze overtuigingen: het zijn opvattingen over wat bestaat in de wereld. De theorie van Neil Van Leeuwen is volgens mij een typisch exponent van wat ik ‘disbelief in belief’ noem: het onvermogen van seculiere westerlingen om religieus geloof ernstig te nemen als geloof. De vraag is: hoe kan je dit dispuut beslechten met empirische argumenten? Van Leeuwens hypothese is moeilijk te testen, omdat ze voorspelt dat religieuze gelovigen zich vaak zullen gedragen alsofze feitelijk in God en hemel geloven. Enquêtes en interviews bieden dus geen uitsluitsel.

 

Extreme religie

De strategie in mijn artikel met Jerry Coyne, gepubliceerd in het tijdschrift Philosophical Psychology, is om voorbeelden te vinden van religieuze gedragingen die zeer moeilijk te verklaren zijn zonder de aanname dat ze voortkomen uit oprecht geloof. Overtuigingen over de wereld zijn namelijk hefbomen om te handelen, en onze handelingen verraden welke overtuigingen we bezitten. Niet elke vorm van religieus geloof motiveert echter tot specifiek gedrag, dat als diagnostisch criterium van dat geloof kan fungeren. De meeste vormen van religieus geloof zijn relatief onschuldig en hebben slechts indirecte of subtiele effecten op gedrag. Daarom zijn we in ons artikel op zoek gegaan naar relatief extreme en uitgesproken geloofsuitingen: getuigen van Jehova die bloedtransfusies weigeren voor hun eigen kinderen, creationisten die de Ark van Noach nabouwen en op zoek gaan het wrak op de berg van Ararat, evangelische christenen die chemotherapie stopzetten omdat ze zich verbeelden dat enkel bidden genezing zal brengen. En – last but not least – jihadisten die bereid zijn om zichzelf op te blazen in een concertzaal of metro. Bemerk dat we in het oorspronkelijke artikel lang niet enkel over zelfmoordterrorisme spreken, in tegenstelling tot wat Bouterse beweert, met uitroepteken en al (‘over iets anders heeft hij het niet!’).
Dergelijke extreme religieuze fenomenen drijven ons dispuut op de spits. Hoe kunnen we zulke bizarre, roekeloze en destructieve gedragingen begrijpen zonder de aanname dat ze uit oprecht geloof stammen? Indien gelovigen God als een ingebeelde vriend beschouwen, zouden we dan zo’n extreem gedrag verwachten? Dat is mijn voornaamste motivatie om het over jihadisme te hebben. Mijn betoog gaat echter net zo goed op voor Augustinus of Al-Ghazali: geloofden deze geleerde theologen echt in God, of beleden zij eerder een vorm van quasi-fictieve religieuze verbeelding, die enkel in bepaalde contexten geactiveerd werd? Wij bepleiten het eerste, Van Leeuwen het tweede.

 

Illusies over illusies

Dat mijn populaire stuk op 3 Quarks Daily wel enkel over salafi-jihadisme gaat, heeft twee bijkomende redenen. Ten eerste zaaien aanhangers van Al Baghdadi vandaag wereldwijd meer dood en vernieling dan aanhangers van Augustinus. Het is niet onlogisch dat we daarvan wakker liggen. De tweede reden staat expliciet in stuk: het onvermogen van seculiere westerlingen om religie ernstig te nemen, is het meest uitgesproken wanneer het om extreme religies als het salafi-jihadisme gaat. De waanbeelden van jihadi’s, zoals het paradijs met de 72 maagden en de wijn waarvan je geen kater krijgt, lijken zo onnozel en puberaal dat we ze nauwelijks ernstig kunnen nemen. ‘Gelooft iemand die onzin echt’, zo vragen velen zich af? Mijn antwoord is: jazeker, en het is bijzonder gevaarlijk om daarvoor de ogen te sluiten.
In mijn boek Illusies voor gevorderden. Of waarom waarheid altijd beter is noem ik deze seculiere misvattingen over de drijfveren van jihadisten ‘illusies over illusies’. Het zijn waanbeelden die sommige ongelovigen hebben over de illusie van anderen. En zoals ik in mijn boek betoog, zijn illusies zelden onschuldig. Precies omdat overtuigingen hefbomen zijn om te handelen, kunnen foute overtuigingen tot roekeloze, dwaze of destructieve gedragingen leiden. Dat geldt niet enkel voor de jihadist, die zichzelf en onschuldige medemensen de dood injaagt voor een denkbeeldig paradijs. Het geldt ook voor de illusies die sommige ongelovigen koesteren over de wortels van die jihadisten. Als je niet begrijpt dat die ideologie voortkomt uit diepreligieuze overtuigingen, dan ga je allerlei drijfveren verzinnen die niets of nauwelijks met het fenomeen te maken hebben (racisme, socio-economische achterstelling, een moeilijke jeugd, geestesziekte…). Een antiradicaliseringsbeleid of militaire strategie die gebaseerd is op ‘illusies over illusies’, riskeert vroeg of laat vervaarlijk met de realiteit te botsen. Ken je vijand. Als we de kanker van het jihadisme willen uitroeien, dan moeten we eerst de juiste diagnose stellen.

 

Religieuze belangstelling

De oproep van Bouterse voor oprechte ‘belangstelling voor religie’ is dus grotendeels een oefening in watmetterij. Natuurlijk interesseer ik me ook in religieuze denkers, maar daarover gaat mijn stuk niet. The Varieties of Religious Experience van William James is een van mijn favoriete filosofische boeken, en vorige week nog las ik C. S. Lewis. Religieuze denkers hebben inderdaad waardevolle bijdragen geleverd aan filosofie en wetenschap, zij het vaak ondanks hun geloof, niet dankzij. Middeleeuwse filosofie is mijn terrein niet, en Augustinus niet bepaald mijn favoriete filosoof, maar ik ploeter wel door de boeken van hedendaagse religieuze denkers als David Bentley Hart, John Haught, Alvin Plantinga en Richard Swinburne. Ik deel Bouterses opvatting dat ‘ideeën ertoe doen’, en juich de ideeëngeschiedenis toe waarnaar hij kennelijk onderzoek verricht.
Los van de watmetterij, zwalpt de oproep van Bouterse echter tussen twee betekenissen van ‘begrip’. Bouterse betreurt het dat mensen als Paul Cliteur en ik geen ‘vorm van verstandhouding’ ontwikkelen voor Osama Bin Laden en anderen. Maar wat bedoelt hij daarmee? Ik pleit voor een intellectueel begrip van de ideologie van Bin Laden, een oprechte poging om je in de denkwereld van iemand anders te verplaatsen en zijn gedachtentrant te volgen. Wie bijvoorbeeld The Looming Tower van Lawrence Wright leest, begint te begrijpen wat mensen als Bin Laden werkelijk dreef. Volstaat dat voor een ‘verstandhouding’? Ik kan me moeilijk voorstellen dat Bouterse op meer hoopt …
De ‘verstandhouding’ voor religieuze gelovigen waarvoor ik pleit is van dezelfde orde als de verstandhouding die ik wil opbrengen voor complotdenkers, communisten of aanhangers van Ayn Rand. Mogen we complotdenkers wegwuiven als gestoorde en verwarde geesten, die zelf niet begrijpen wat ze raaskallen? Kunnen we hun geloof toeschrijven aan emotionele problemen, een moeilijke jeugd, of persoonlijke frustraties? Nee, dat is intellectueel gemakzuchtig en lui. Een filosoof (of psycholoog) moet een oprechte poging doen om zich in de denkwereld van een religieuze gelovige of complotdenker te verplaatsen, en de interne logica van het denksysteem te begrijpen. En er dan natuurlijk weer uitkomen.

Oorspronkelijk op Forum C: http://geloofenwetenschap.nl/index.php/opinie/item/744-van-augustinus-tot-zawahiri-over-watmetterij

maandag 6 juni 2016

De landingsbaan van de werkelijkheid

(Artikel in Streven, juni 2016, als repliek op "Religie voor gevorderden. Waarom hermeneutiek altijd beter is dan positivisme of religieus fundamentalisme" van Stijn Latré)


Moet de waarheid altijd zegevieren? Of is het verstandig om af en toe een loopje met haar te nemen? In mijn boek Illusies voor gevorderden ben ik op zoek gegaan naar nuttige waanbeelden, heilzaam voor lichaam en geest, of voor onze samenleving. Uiteindelijk kwam ik van een kale reis terug, zoals ik in de ondertitel al verklap: de waarheid is altijd beter. In zijn essay over mijn boek in dit nummer herinnert Stijn Latré aan de mooie metafoor van Alfred Whitehead. Een kennissysteem uitbouwen is zoals de vlucht die een vliegtuig maakt. We stijgen op vanuit de grond van de empirie, doorkruisen de ijle hoogten van theorie, maar vroeg of laat moeten we weer neerdalen. Wie zich laat leiden door de ratio, maakt een zachte landing. Wie zich laat meevoeren door illusies, zal vroeg of laat neerstorten.
Latré erkent dat illusies gevaarlijk zijn, maar pleit voor een derde weg tussen mijn ‘positivisme’ aan de ene kant en ‘religieus fundamentalisme’ aan de andere kant. Ik dank hem voor zijn welwillende poging om, anders dan Rik Torfs in de Zwitserse bergen, zo ver mogelijk ‘mee te stappen’ met mijn gedachtentrant. Uiteindelijk scheiden onze wegen, maar gelukkig niet bij de allereerste pas, waar ik de Leuvense rector al kwijtspeelde.

Vrije wil

Laat ik beginnen met een directe open vraag die Latré me voorlegt: reken ik de vrije wil ook tot het rijk der illusies? En zo ja, is het wel verstandig om die illusie te ondergraven? Dat ik de splijtzwam van de vrije wil niet aanraak in mijn boek, was een bewuste keuze. De vraag of vrije wil een al dan niet nuttige illusie is, hangt volkomen af van de definitie die je hanteert van dat begrip. De verdeeldheid over die definitie ligt aan de bron van het debat tussen de zogenaamde compatibilisten, die menen dat vrije wil en determinisme verzoenbaar zijn, en de incompatibilisten, die denken dat ze elkaar uitsluiten.

Bepaalde invullingen van ‘vrije wil’ reken ik zeker en vast tot het rijk der illusies. De incompatibilist denkt dat een wereld waar de wetten van oorzaak en gevolg gelden, geen ruimte laat voor vrije wil. Wat veroorzaakt is, kan niet vrij zijn. Die contra-causale vrije wil bestaat niet. Niet omdat wetenschap dat heeft aangetoond, maar omdat het een hopeloos verward concept is. De idee van een onbewogen beweger, die zich aan de keten van oorzaak en gevolg onttrekt waarin ons brein is ingebed, en geheel ex nihilo, zoals God in het boek Genesis, een beslissing velt, is gewoon incoherent en daarom uitgesloten. Voor die conclusie hebben we geen breinscanners nodig. Een scherp filosofisch scalpel volstaat.

Een compatibilist daarentegen verdedigt een meer bescheiden notie van de vrije wil, die oordelen over toerekeningsvatbaarheid toelaat in de rechtbank, en die volkomen te rijmen valt met de wetten van oorzaak en gevolg. Een persoon kan slechts een ‘vrije’ beslissing nemen wanneer hij of zij zonder externe belemmering en vanuit weloverwogen motieven handelt. Motieven zijn niets anders dan een speciaal soort oorzaken. Een beslissing zonder oorzaken (motieven) levert geen vrije wil op, maar totale willekeur. En niemand is moreel verantwoordelijk voor willekeur.

De contra-causale ‘vrije wil’ waarnaar incompatibilisten op zoek zijn, is dus beslist een illusie. Maar is ze nuttig? Sommige filosofen verdedigen het illusionisme, een soort samenzwering van cognoscenti die het waanbeeld van contra-causale vrije wil in stand houdt, om ons sociale weefsel te beschermen. Dergelijke goedaardige samenzweringen ten behoeve van de samenleving, zoals ik in mijn boek betoog (hoofdstuk 8, over placebodenken), zijn praktisch onuitvoerbaar, contraproductief en ook moreel verwerpelijk. De waarheid is ook hier beter: filosofen moeten uitleggen aan mensen dat morele verantwoordelijkheid geen filosofische fantasieën als contra-causale vrije wil vereist. Zelfs in een deterministische wereld blijft er ruimte voor.[1]

Geloof in rede en wetenschap

Latré meent dat ik een onvervalste positivist ben, met een ‘ongebreideld vertrouwen in positieve wetenschappen en hun waarheidsbegrip’. In mijn boek schuilt volgens hem een ‘niet nader beargumenteerde… metafysische vooronderstelling’, die stelt dat de werkelijkheid fundamenteel kenbaar is voor de mens. Maar mijn betoog veronderstelt die aanname helemaal niet. De kenbaarheid van de werkelijkheid is geen a priori beginsel, maar hoogstens een voorlopige werkhypothese die wordt bevestigd naarmate de wetenschap voortschrijdt, zoals ik in verschillende artikelen heb betoogd.[2] De kosmos is een nogal groot oord. Het is best mogelijk dat sommige delen kenbaar zijn voor de mens, maar andere niet, of slechts in geringe mate. Het is niet uitgesloten dat ons kenvermogen op een bepaald moment op een muur van onbegrip zal botsen. Niets in de wetenschappelijke praxis sluit dat uit. Verschillende filosofen, zoals Jerry Fodor, Noam Chomsky en in het bijzonder Colin McGinn, hebben die hypothese naar voren gebracht.

Is de hypothese van ‘cognitieve geslotenheid’, zoals McGinn ze noemt, echter ook aannemelijk? Zijn er grenzen aan ons kenapparaat? In zekere zin wel, maar niet zoals McGinn ze bedoelt. Begrippen als kwantumverstrengeling of kromming van ruimtetijd, laat staan de elf-dimensionele ruimte van de M-theorie, zijn zo exotisch dat ze ons bevattingsvermogen nu al te boven gaan. De ervaring echter – geen a priori aanname – leert ons dat we zelfs in die gevallen niet volkomen machteloos zijn. Fysici hebben invalswegen gevonden om die raadselachtige fenomenen te benaderen. De kwantummechanica bijvoorbeeld neemt een halsbrekend hoge theoretische vlucht – om de metafoor van Whitehead aan te houden – maar voert daarna een feilloze landing uit. Haar voorspellende succes is verbluffend, alsof een piloot in volstrekte duisternis landt op een landingsstrook die slechts een millimeter breder is dan de spanwijdte van zijn vliegtuig.[3]

Doxastische koppeling

De hoofdstelling van mijn boek is dat er geen ‘nuttige illusies’ bestaan. Vermeende tegenvoorbeelden vallen uiteen in twee categorieën: ofwel zijn ze niet nuttig, ofwel zijn het geen illusies. De retorische vraag ‘Wat met literatuur en fictie?’ die Latré me toewerpt, hoort in de tweede categorie thuis. Literatuur en fictie zijn beslist belangrijk en waardevol, maar het zijn geen illusies in de gedefinieerde zin van overtuigingen die niet met de werkelijkheid stroken. Integendeel. Dat we ons zorgeloos kunnen verliezen in fantasie en verbeelding, komt precies omdat we er geen oprecht geloof aan hechten, zoals wel het geval bij een illusie. Slechts in uitzonderlijke gevallen leidt literatuur tot illusies, zoals wanneer iemand echt gelooft dat Sherlock Holmes op 221B Baker Street in Londen woonde (de straat bestaat echt, het adres niet), of wanneer iemand zich verbeeldt dat Tolkiens Midden-Aarde een verloren continent is.

De reden waarom illusies potentieel gevaarlijk zijn, maar literaire verbeelding en fantasie niet, zou je de doxastische koppeling kunnen noemen. ‘Geloven dat P’ kan gevaarlijk zijn indien P vals is. Maar je verbeelden dat P, of voorstellen dat P, of zelfs vermoeden dat P, is volstrekt veilig en vaak erg prettig. Vergelijk het met de motor van een auto. Zolang je de koppelpedaal indrukt, kan de motor vrij roteren, zonder dat je het gevaar loopt ergens tegenaan te botsen. Die inwendige omwentelingen zijn onze fantasie en verbeelding. Laat je het koppelpedaal echter los, zal de motor de wielen aandrijven en moet je uitkijken. Overtuigingen drijven ons gedrag aan, omdat we ze voor waar houden.

Onwelwillende hermeneutiek

Latré huldigt het principe van ‘interpretatieve welwillendheid’ (principle of charity), maar soms laat het hem in de steek, zoals in zijn discussie van mijn kritiek op William James. James vergeleek de religieuze geloofssprong met vriendschap sluiten. Net zoals we een grondhouding van vertrouwen moeten hebben vooraleer we vriendschap kunnen sluiten, moeten we eerst toenadering tot God zoeken om hem te vinden. Die analogie met vriendschap gaat echter niet op, zo schrijf ik in mijn boek, omdat ze ‘al veronderstelt dat de vriend bestaat, wat in het geval van God juist ter discussie staat’ (blz. 97). Latré doet mijn argument echter af als een ‘mislukte retorische truc’, omdat vriendschap sluiten met een persoon (y) enkel veronderstelt dat je gelooft dat (y) bestaat, niet ‘dat (y) reeds als vriend bestaat’.

Het ‘beginsel van welwillendheid’ vereist echter dat je de waarheid en zinvolheid van de uitspraken van je gesprekspartner zoveel mogelijk moet behouden. Als je op een manifeste contradictie stuit, of een vorm van begging the question, dan is de kans groot dat je een verkeerde interpretatie beet hebt. De uitweg voor de welwillende hermeneut is nochtans eenvoudig: het woord ‘vriend’ in mijn zin is een afkorting voor ‘de persoon met wie je overweegt vriendschap te sluiten’. Mensen die overwegen om vriendschap te sluiten, veronderstellen elkaars bestaan als potentiële vrienden, en hebben daar ook uitstekende gronden voor. Niet zo voor mensen die zich aan God overgeven. Zij weten niet eens of hun ingebeelde vriend überhaupt bestaat, laat staan of hij hen te vriend wil zijn.

Nog een misvatting die aandacht verdient, in verband met hoofdstuk 7 over culturele evolutie: Latré meent dat memen ‘uiteindelijk de reproductie van [de genen] dienen’, maar het tegendeel is waar. De (metaforische) belangen van memen druisen vaak in tegen die van zelfzuchtige genen. In mijn boek geef ik daar enkele spectaculaire voorbeelden van, zoals het zelfmoordterrorisme van jihadi’s, de autocastratie van de Skoptsi-sekte, of het celibaat van priesters. Memetica ontkent ook niet ‘de bijdrage van het “subject”’, zoals Latré denkt, maar ze springt enkel in daar waar menselijke creativiteit tekortschiet als verklaring, waar er met andere woorden geen aanwijsbare auteur is voor cultureel ontwerp (zoals bij religie).

Achterafgoderij

Latré meent dat ik me vergis van vijand door liberale theologen aan te vallen, in plaats van fundamentalisten. Laat duidelijk zijn: voor zover liberale theologen een vreedzame en tolerante religie belijden, zijn ze mijn bondgenoten in de strijd tegen radicalisme en terrorisme. Ik stap liever op een vliegtuig met liberale theologen dan met radicale salafisten. Mijn kritiek in hoofdstuk 9 betrof de illusie van de ‘achterafgoderij’, waarbij theologen hun vredelievende invulling van hun geloof op de Koran of de Bijbel projecteren, in de illusie dat ze daarmee de ‘ware’ betekenis ontsluieren. Zo’n theologie voor gevorderden moet ons, in de woorden van Latré zelf, ‘dichter brengen bij de eigenlijke betekenis en dus de waarheid van de teksten’. Dat is een perfecte samenvatting van de fatale illusie van liberale theologen: het boek treft nooit schuld, enkel de lezers.

Latré legt zelf ongewild de vinger op de wonde, met de retorische vraag: ‘Mogen theologen de Bijbel niet lezen zoals Boudry Shakespeare leest?’ Maar ik lees Shakespeare helemaal niet zoals theologen de Bijbel lezen. Zelfs theologen lezen Shakespeare niet zoals ze de Bijbel lezen. Als Iago zich racistisch uitlaat over de Moor Othello, dan heb ik geen enkele reden om een apologie van Iago te schrijven (‘Je moet begrijpen dat Iago zich echt vernederd voelde door Othello, wat erg belangrijk is in de Venetiaanse eercultuur’). Waarom zou ik me zoiets in het hoofd halen? Iago is een fictief personage in een literair toneelstuk.

Maar vergelijk dat met hoe theologen de Bijbel lezen. Als Jahweh zijn volk opdraagt om een genocide te plegen, of als Paulus slavernij verdedigt en misogyne uitspraken doet, dan kunnen theologen niet zomaar de schouders ophalen, zoals ik doe bij het racisme van Iago. Dat theologen zich genoodzaakt voelen om de verwerpelijke uitlatingen van Paulus en Jahweh te kneden en interpreteren, maar niet die van Iago, komt omdat ze de Bijbel als een goddelijk geïnspireerd boek beschouwen, en het verzameld werk van Shakespeare niet.

De enige reden waarom liberale theologen vandaag tot het ‘inzicht’ zijn gekomen dat het boek Genesis als loutere allegorie is bedoeld, is dat de moderne geologie en biologie dat verhaal tot het rijk der fabelen hebben veroordeeld. De enige reden waarom liberale moslimtheologen menen dat de ‘werkelijke’ betekenis van jihad een louter spirituele strijd is, in weerwil van elke ernstige lezing, is dat ze liever niet willen dat Allah iets in zijn heilige boek zegt dat tegen hun diepste morele intuïties indruist.

Ik ben helemaal geen tegenstander van hermeneutiek, noch voor de Bijbel, noch voor Shakespeare. Mijn bezwaar is dat liberale theologen hun hermeneutiek laten leiden door religieus geloof. Van zodra theologen de Bijbel (of Koran of Thora) lezen zoals Shakespeare, zijn het niet langer theologen. Dan zijn het gewoon literatuurwetenschappers. Ik wens hen een zachte landing toe.



[1] Een veel geciteerde experimentele studie van Kathleen Vohs en Jonathan Schooler zou aantonen dat, wanneer je mensen vertelt dat ‘vrije wil’ niet bestaat of dat ons universum deterministisch is, ze zich vervolgens minder moreel gaan gedragen, bijvoorbeeld door bedrog te plegen. Maar dat onderzoek toont slechts tijdelijke effecten aan, en is ook sterk betwist. Een goede kritiek is te vinden bij Gregg Caruso (2015) ‘Does Disbelief in Free Will Increase Anti-Social Behavior?’, in Psychology Today, https://www.psychologytoday.com/blog/unjust-deserts/201510/does-disbelief-in-free-will-increase-anti-social-behavior
[2] Yonatan Fishman en Maarten Boudry, ‘Does Science Presuppose Naturalism (or Anything at All)?’, in Science & Education, nummer 22, 2013, blz. 921-49.
[3] De meer courante analogie, oorspronkelijk van Richard Feynman, is dat je de breedte van het Amerikaanse continent kan meten tot op de breedte van een menselijke haar.