dinsdag 25 oktober 2016

Laat de echte psychotherapeut nu opstaan (en de patiënt neerliggen)

“Psychotherapeut” is in België geen beschermde titel, in tegenstelling tot “ingenieur” of “psychiater”. Iedereen die dat wenst, kan vrijelijk een koperen naamplaat met “psychotherapeut” aan zijn voorgevel bevestigen. Nu heb ik zelf niet zo’n bordje, maar mijn UGent-collega Jasper Feyaerts vind dat ik er één nodig heb. In zijn reactie op mijn essay over cultuurpessimisme in De Morgen, schrijft hij dat ik me stilaan “ontpop als een psychotherapeut van politieke analyses.”
Gezien de titel psychotherapeut niet wettelijk beschermd is, neem ik aan dat je er ook iedereen van kan beschuldigen. Feyaerts stelt me voor de keuze: ofwel een koperen plaat aan mijn deur, ofwel “politieke kleur bekennen”, zodat duidelijk wordt welke “politieke broodheer” ik dien. Enkele kanttekeningen.
Psychologische drijfveren
Feyaerts struikelt over de psychologische etiketten waarvan mijn essay wemelt: de “wij-bak”, “een narcistische kantje”, “verwaande pose”... Daarbij verbeeldt hij zich een (vermakelijke) therapeutische scène waarin ik de cultuurpessimisten op mijn sofa leg en hun zielenroerselen ontbloot. Heb ik mijn roeping als zielenknijper gemist?
Feyaerts heeft gelijk dat het altijd opletten geblazen is met psychologische analyses van je tegenstrever: vaak kunnen die de aandacht afleiden van de kern van de zaak. Zoals Feyaerts wellicht weet, heb ik eerder de aanhangers van de psychoanalyse (uitgerekend zijn vakgroep) op de korrel genomen voor hun vervelende neiging om te pas en te onpas naar het Freudiaanse weerstand-argument te grijpen. Die drogreden gaat als volgt: ‘de kritiek op psychoanalyse verraadt onbewuste “weerstand”, precies wat de psychoanalyse voorspelt’. Dat ik me zelf aan psychologische deflectie zou bezondigen, zou wel ironisch zijn.
In mijn essay strooi ik echter niet zomaar psychologische etiketten in het rond, zonder inhoudelijke onderbouwing. De term “wij-bak” is louter een kernachtige samenvatting van een inhoudelijk punt, dat ik uitleg in het essay. Elders heb ik het concept uitvoeriger uitgewerkt, en uitgelegd wat er wel en niet onder valt. Waarom gaat Feyaerts niet in op die kenschets, of op de voorbeelden uit het boek van De Wachter? Erkent hij het fenomeen, of vindt hij dat mijn verklaring niet klopt? We komen het niet te weten.
Geestesziekte
Bovendien is er een verschil tussen een psychologische verklaring en een psychiatrisch etiket. Feyaerts schrijft dat ik een diagnostische term als “pathologische zelfkritiek” bezig, maar dat begrip is nergens in mijn essay terug te vinden. Die woorden legt hij me dus in de mond [1]. In een debat ga je je tegenstrever niet van geestesziekten beschuldigen. Een onderbouwde psychologische verklaring is legitiem, pathologisering is ongepast. De term “narcistisch” gebruik ik gewoon in de alledaagse zin van “verwaand”, niet in de zin van de persoonlijkheidsstoornis.
Overigens: als Feyaerts zich stoort aan psychiatrische etikettering in het maatschappelijk debat, dan neem ik aan dat zijn haren ten berge rijzen bij de werkwijze van Dirk De Wachter en Paul Verhaeghe. In Borderline Times neemt De Wachter gewoon een lijstje van symptomen uit de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) en past hij die vanuit zijn leunstoel toe op de hele samenleving. Verhaeghe noemt het neoliberalisme dan weer “bipolair” en gebruikt termen als “dwangneurotisch” en “autistisch” voor hele maatschappijen.
Constructief
Dat ik nauwelijks inga op de inhoudelijke verzuchtingen van de doemdenkers, heeft een eenvoudige verklaring, die nochtans in het essay wordt gemotiveerd: de cultuurpessimisten hebben überhaupt geen coherent punt. Met uitzondering van Heijne, spreken ze zichzelf voortdurend tegen, waardoor je de indruk krijgt dat de mismoedige teneur belangrijker is dan de inhoud. Precies daarom stel ik de (psychologische) vraag: hoe verklaren we de aantrekkingskracht van cultuurpessimisme, zelfs wanneer het vaag en tegenstrijdig is? Hoe komt het dat zovelen zich in die onbestemde jeremiades herkennen?
Natuurlijk ontken ik niet dat ook onze hedendaagse maatschappij met kwalen kampt, die we constructief moeten pogen op te lossen. In mijn essay vermeldde ik het probleem van de overprikkeling door nieuwe media, en Feyaerts benoemt terecht de vluchtelingenproblematiek en de stijgende incidentie van depressie. Maar die problemen moeten we aanpakken met zorgvuldige analyses en verantwoorde empirische onderbouwing, niet met het nattevingerwerk van Verhaeghe en De Wachter, die hun eigen patiëntenbestand als staalkaart van de samenleving nemen. Over de vluchtelingencrisis en het probleem van racisme in de samenleving heb ik overigens zelf meermaals stukken gepleegd in diverse media.
Tot slot: waarom zou ik in godsnaam “politieke kleur” moeten bekennen alvorens een bijdrage aan het maatschappelijk debat te mogen leveren? Ik ben lid van geen enkele politieke partij, en mijn stemgedrag laat zich niet als geweldig consistent omschrijven (misschien lijd ik aan “affect-labiliteit” of aan een “bi-polaire” stoornis?). Mogelijk heb ik onbewuste ideologische drijfveren, maar zoals Terry Eagleton zei: ideologie is zoals een slechte adem; je ruikt alleen die van anderen. Misschien kan Feyaerts mijn “politieke kleur” openbaren? Ik wil gerust eens op zijn sofa komen plaatsnemen. De gave der zelfanalyse was enkel Freud gegeven.
[1]  In een persoonlijke mail aan Feyaerts heb ik gevraagd om het begrip daarom uit zijn tekst te halen. Daar was hij meteen toe bereid, maar kennelijk wou de redactie van De Wereld Morgen niet op zijn verzoek ingaan.
(De Wereld Morgen, 25/10/16)

Waarom doemdenkers zo diepzinnig lijken


De gastredacteur van het Amerikaanse tijdschrift Wired, een zekere Barack Obama, schreef deze maand dat het hier en nu, anno 2016, de beste tijd ooit is om te leven. In de ogen van velen is een dergelijk blakend optimisme compleet losgezongen van de werkelijkheid, om niet te zeggen bespottelijk. Kijk naar de oorlog in Syrië, de wereldwijde golf van terreuraanslagen, het massagraf op de bodem van de Middellandse zee, de opkomst van populistisch rechts, de groepsaanrandingen in Keulen, de graaizucht van bankiers, de Brexit en de nakende ondergang van de Euro – hoe ontstellend naïef en wereldvreemd moet je zijn om te denken dat anno 2016 het beste jaar ooit is? Het doet bijna denken aan Dr. Pangloss, de beroemde kamergeleerde uit Voltaires satirische boek Candide, die volhield dat we in de best mogelijke van alle werelden leven, in weerwil van alle hilarische rampspoed die hem en zijn lotgenoten in het verhaal treffen.

Recent verschenen twee boeken waarvan het twijfelachtig is, afgaand op de inhoud en de teneur, of de auteurs op Barack Obama zouden stemmen, of althans of ze hoog met zijn vooruitgangsdenken oplopen: De Wereld van De Wachter van de psychiater Dirk De Wachter, en Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens van de Nederlandse essayist Bas Heijne.

De tijd van vertrouwen en verwachting is voorbij, aldus Heijne. Ons optimistische wereldbeeld van vroeger is fundamenteel achterhaald.

“Politiek populisme, religieus radicalisme, herlevend nationalisme, racisme, het steeds harder botsen van identiteiten, de immorele bankiers, het zalig verklaarde rendementsdenken en het onuitroeibare ons-kent-ons van iedere bestuurlijke elite --- ze lijken stuk voor stuk een streep te halen door de rekening van het humanistisch optimisme van de voorgaande decennia”.

Dirk De Wachter klinkt nog mismoediger. Iedereen in onze samenleving is ontheemd en eenzaam, onze identiteit is versnipperd, overal heerst het lege hedonisme en de “ikkigheid”. De angst en onzekerheid groeit, overal slaat de vertwijfeling toe. De hedendaagse mens is “dubbel uitgehold: bekaf van het achterna hollen, en hol vanbinnen.”

De hardnekkigheid van pessimisme

Nu zou ik u in dit essay om de oren kunnen slaan met boeken vol cijfers en statistieken die vooruitgang op alle vlakken moeten aantonen, zoals The Better Angels of Our Nature van Steven Pinker, The Rational Optimist Matt Ridley, The Moral Arc van Michael Shermer, en Progress van Johan Norberg. Of ik zou u voor de kernboodschap kunnen doorverwijzen naar de TED-lezing van Zweedse statisticus Hans Rosling, die de volkomen terechte titel draagt: “The best stats you've ever seen”. Maar die preek heb ik hier eerder al eens afgestoken. De ervaring leert overigens dat tegen cultuurpessimisme geen grafiek of cijferberg is opgewassen.

Dat leidt tot een andere vraag: waarom is pessimisme zo aantrekkelijk? Talloze verklaringen werden al geopperd. De media besteden overmatige aandacht aan wat fout gaat, omdat vrede en veiligheid geen nieuwswaarde hebben (“Live vanuit Wuustwezel hier, nog steeds geen aanslagen gepleegd!”). Hoe goed het ook gaat met de wereld, er zal altijd voldoende miserie overblijven om het avondjournaal mee te vullen. Dat geldt zeker in de geglobaliseerde wereld van vandaag. Niets reist sneller dan het licht, behalve slecht nieuws, schreef de Britse schrijver Douglas Adams; dat beantwoordt aan zijn hoogsteigen bewegingswetten.

Een andere verklaring luidt dat de voortschrijdende vooruitgang ons ook gevoeliger gemaakt voor misstanden. Hoe veiliger en welvarend de wereld is, hoe hoger we onze verwachtingen bijstellen, en hoe meer we schrikken als er iets fout loopt. We zijn dus het slachtoffer van ons eigen succes. Tel daarbij nog de gebrekkigheid van ons geheugen, en onze psychologische neiging om het verleden te romantiseren, vooral de tijd waarin we zelf opgroeiden, en je begint te begrijpen waarin cultuurpessimisme zo wijdverbreid is.

Behoudswet van gezeik

Maar zijn die verklaringen wel toereikend? Is de bewijslast voor vooruitgang niet zo verpletterend dat je stilaan de ondergang van het doemdenken zou voorspellen? Toch evolueert het pessimisme. Zelfs de zwartste zwartkijker kan het licht van de zon niet loochenen. Dat we gezonder en rijker en welvarender zijn dan ooit tevoren, wordt door verstandige mensen doorgaans wel erkend, maar het geeft allerminst aanleiding tot vrolijkheid. De pessimist verlegt gewoon het front, weg van de maatstaven waarop onze vooruitgang het meest zichtbaar is. Materiële welvaart of vrede is niet waar het volgens hem echt om draait. Natuurlijk zijn we rijker en gezonder dan ooit tevoren, erkent de cultuurpessimist knarsetandend, maar we zijn wel ontheemd en vervreemd in de moderne wereld. Misschien zijn er vandaag wel minder oorlogen, maar er is meer onzichtbaar “systemisch geweld”. Misschien is openlijk racisme wel op zijn retour, maar er is een sluipende opmars van “cultureel racisme”, dat des te subtieler en daarom gevaarlijker is. Misschien zijn we vandaag welvarender en gezonder, maar we zitten wel allemaal aan de pillen.

Soms lijkt het cultuurpessimisme wel een bewegend doelwit, dat telkens op de vlucht slaat voor de vaart der vooruitgang. In hoeveel opzichten het ook goed gaat, de pessimist blijft zich vastklampen aan de overtuiging dat we ons op een of andere manier aan de rand van de afgrond bevinden. Noem het de Wet van het Behoud van Gezeik. Ongeacht hoe goed het gaat met de wereld, er wordt altijd evenveel gezeken. Of anders geformuleerd, met een knipoog naar de thermodynamica: in een gesloten denksysteem, blijft de hoeveelheid gezeik constant.

Diepzinnig

Hier is een dieperliggende verklaring voor de Behoudswet van het Gezeik: pessimisme klinkt diepzinnig. Een onheilsprofeet lijkt altijd slimmer dan een optimist. De filosoof John Stuart Mill, een pionier in het vooruitgangsdenken, verwonderde er zich al over dat niet degene die hoopt wanneer anderen wanhopen, maar degene die wanhoopt wanneer anderen hoopvol zijn, door de grote meerderheid als een wijze wordt geroemd. Maar waarom worden doemdenkers als doordenkers aanzien?

De zwartkijker lijkt iemand die voorbij de schone schijn van de wereld ziet. De zorgeloze massa is op het dek aan het feesten, maar de doemprofeet ziet de ijsschots opdoemen in de verte. Iemand die meent dat het goed gaat met de wereld, komt daarentegen over als zelfgenoegzaam, zijn boodschap als banaal. De optimist klinkt als een glunderende verkoper met een doorzichtig promopraatje: “Maak je geen zorgen, het komt allemaal goed, ons product is geweldig.” Donkere wolken pakken zich samen rond de wereld, maar de verdwaasde optimist heeft niets in de gaten.

Gunstige tijdingen over de wereld zijn dus extra verdacht voor de cultuurpessimist. Ironisch genoeg ziet Bas Heijne een boek als dat van Steven Pinker, dat de daling van oorlog en geweld door de eeuwen heen aantoont met harde cijfers, net als een “barometer voor onze tijd”, die een “knagende twijfel moet bezweren”. Precies dat het goed lijkt te gaan met de wereld, bewijst dat het slecht gaat. Perceptie doet er wel degelijk toe, volgens Heijne, en we mogen niet zomaar vertrouwen op mooie cijfers en statistieken. Als iedereen het unheimliche in zijn kleine teen voelt – of als Heijne aan zijn kleine teen voelt dat iedereen het voelt – dan gaat het per definitie slecht. Ook De Wachter loochent niet dat we vandaag welvarender zijn dan ooit tevoren. Misschien is het algemene gelukspeil zelfs gestegen. Maar dat zogenaamde geluk is puur oppervlakkig en betekenisloos. De gelukscultus, aldus Dirk De Wachter, verraadt enkel een “grote geestelijke leegtebubbel”.

Een ander epigoon van het mondaine cultuurpessimisme in onze contreien, die De Wachter ook uitgebreid citeert, is psychoanalyticus Paul Verhaeghe. Precies de dwang om van het leven te genieten in onze welvaartsstaat, maakt ons volgens Verhaeghe depressief, ontheemd en uitgeblust. Onze sociale weefsels ontbinden, onze identiteit vervaagt. Een kille en onpersoonlijke disciplinering domineert ons leven, de bakens van autoriteit brokkelen af. Nooit hebben we zoveel welvaart gekend, maar toch zijn we nog nooit zo ongelukkig geweest: “We genieten ons te pletter. Maar niemand is tevreden.”

In The Guardian schreef een andere vrolijke frans, George Monbiot, onlangs nog dat we in een “post-Hobbesiaanse dystopie” leven, waarin een “oorlog van iedereen tegen zichzelf” woedt, die alleen “ondraaglijke pijnen” met zich meebrengt. Paul Verhaeghe is het roerend eens. Ons leven is een ‘sociaal-darwinistisch’ inferno geworden waarbij de zwakken worden vertrappeld door de sterken, die ondertussen zelf massaal ten prooi vallen aan burn-outs en depressies.

Zelfs de Nederlandse historicus Rutger Bregman, die nochtans een aanstekelijk en briljant pleidooi over morele vooruitgang schreef in De geschiedenis van de vooruitgang, begint als een cultuurpessimist te klinken wanneer hij het over de geestelijke gesteldheid van onze samenleving heeft. Bregman vindt weliswaar dat we in een paradijs leven, maar het is wel een “treurig paradijs”. De utopieën zijn begraven, de morele bevlogenheid van weleer is uitgeblust, er heerst enkel nog een zielloze technocratie. “Vrijheid is ons hoogste goed, maar het is een lege vrijheid geworden.”

Mystiek

De Behoudswet van Gezeik laat weinig ruimte voor constructieve pogingen om de euvels van onze snel veranderende maatschappij – die er natuurlijk wel zijn – het hoofd te bieden. Dergelijke oplossingen kunnen slechts schijn zijn, en moeten zo snel mogelijk doorprikt worden. Neem het probleem van constante overprikkeling dat de nieuwe media met zich meebrengen, en de toenemende drukte van ons moderne leven. De Wachter zet in zijn boek een uitgebreide klaagzang in over het gebrek aan stilte en rust in onze samenleving. Maar is hij dan niet opgezet met de groeiende aandacht voor meditatie, yoga, onthaasting, stilte-coupés in de trein, restaurants zonder smartphone? Nee hoor. Die ontwikkeling sabelt hij neer als een “modieuze stiltehype” die onze stilte gewoon tot een ordinair koopwaar reduceert, en die moet verhullen waar het écht om gaat. De stilte wordt “afgesplitst, uitvergroot, ingeblikt en verkocht”, maar de “ware stilte” gaat verloren. Weer niet goed.

Maar waar gáát het dan echt om? Door de Behoudswet van het Gezeik wordt het cultuurpessimisme bij stijgende vooruitgang steeds vager, ijler en onvatbaarder. A la limite vervalt de doemdenker in een soort van mistige mystiek. Alles wijst erop dat het goed gaat met de wereld, maar toch verkeert de hedendaagse mens in algehele malaise. In het midden van zijn identiteit gaapt een onpeilbare leegte die niet onder woorden te brengen valt. Het gemis is onbestemd en onvatbaar, iets dat je niet met cijfers en statistieken kan meten, een soort je-ne-sais-quoi. Of om het met de Heideggeriaanse hoogdravendheid van De Wachter te zeggen: “het Zijn laat zich niet taggen”.

Eerder dan een inhoudelijke boodschap, krijg je bij de moderne cultuurpessimisten de indruk dat het om de neerslachtige en melancholische teneur gaat. Met name De Wachter erkent – wat hem op zich siert – dat hij zelf geen pasklare antwoorden heeft, dat hij vooral persoonlijke bespiegelingen bij onze maatschappij wil. Het boek zit dan ook vol met vertwijfelde vragen, stokende redeneringen en onderbrekingen, en zelfs een wat theatrale lege pagina als “ode aan de stilte”. Something is rotten in the state of Denmark, nu alleen nog uitdokteren wat.

Tegenstrijdig

Het probleem is dat cultuurpessimisten uitblinken in tegenstrijdigheden, die de lezer nauwelijks opvallen als je er niet bij stil staat en even terugbladert. Bij De Wachter klinkt het de ene keer dat onze identiteit vervlakt en dat we allemaal tot eenheidsworst verworden, de andere keer schrijft hij dat het extreme individualisme (ons “oeverloos magma van ikkigheid”) mensen uit elkaar drijft, als afgedwaalde eilandjes in een oceaan van ellende. De ene keer verdwijnen onze verschillen door globalisering, de andere keer gaat de eenheid van de wereld verloren. Zijn we allemaal aan het vereenzamen, of staan we net dwangmatig met elkaar in contact, via moderne technologie? Is er sprake van een Nieuwe Disciplinering, of gaan we net ten onder aan ongebreidelde keuzevrijheid?

Bij Verhaeghe is het nog erger. De ene pagina schrijft hij dat het neoliberalisme de illusie van de complete maakbaarheid van het individu omarmt, op de andere dat ze terug wil naar een ‘natuurstaat’ waarin allen strijden met allen. De ene keer cultiveert het heersende neoliberalisme de ‘slachtofferrol’, waarbij alle schuld op onze genen wordt afgeschoven, de andere keer stelt het ons geheel en al verantwoordelijk voor onze eigen daden en prestaties. In beide gevallen, dat spreekt voor zich, worden we doodziek on ongelukkig.

Er wordt bij de cultuurpessimisten van alles vervlakt en gereduceerd, afgemat en platgeslagen, ontworteld en ontheemd en verdrongen, maar nadat de donkere stroom van “oeverloos magma” is voorbijgetrokken, weet je al lang niet meer waar je aan toe bent. Wat blijft nazinderen, is een soort onbestemd onbehagen, een weemoed zonder object. Precies omdat de doemboodschap zo vaag en tegenstrijdig is, kan iedereen er zijn eigen verzuchtingen in herkennen, als ware het een donkere Rorschach-inktvlek. Bij De Wachter krijg je dan dergelijk potsierlijk proza:

“We proberen alles te vervlakken, te stretchen tot uitersten verdrongen worden. Hetzelfde, overal. Dat werkt depersonaliserend, derealiserend. Overal loert ontheemding om de hoek. Door de kolossale globale structuren vervreemden we van onszelf. We worden onze eigen Ander.” “De wereld en mens worden elk op hun eigen niveau een atoomsoort, die dwaalt in een atmosfeer wiens periodiek systeem constante onrust is.”

Narcisme

Dat gemakzuchtige cultuurpessimisme heeft soms zelfs een narcistisch kantje. Wie de kwalen van de maatschappij doorziet, plaatst zich er ook boven. De cultuurpessimist is een meester in wat ik eerder de wij-bak noemde, een vorm van huichelachtige zelfkastijding waarbij je nadrukkelijk de wij-vorm hanteert, maar eigenlijk overal “zij” en “hen” bedoelt. Wanneer De Wachter jeremieert over “onze zelfgenoegzaamheid” en “onze teldrang”, dan rekent hij daar uiteraard zichzelf niet bij. “We willen een superlatief van de uitzondering kunnen zijn”, zo schrijft hij ergens, en “we lijken geen lokroep te hebben, buiten veel geld”. En elders: “Alles lijken we vandaag te willen atomiseren”. Over welke “wij” heeft De Wachter het eigenlijk?

De verdwaasde massa is verslaafd aan consumptie, maar beseft niet hoe hol ze van binnen is. Al die leeghoofden (pardon, ik bedoel “wij”) zitten maar selfies van zichzelf te nemen, op Pokémon te jagen en likes op Facebook bijeen te sprokkelen, maar slechts een kritische enkeling doorziet dat vreugdevuur der ijdelheden. Iedereen holt van hype naar her, maar wie geeft nog om authenticiteit, verstilling, menselijkheid? Wie beseft nog dat het Zijn niet te taggen valt?

In werkelijkheid is niets meer belegen dan de cultuurkritiek op selfies en Facebook-likes. Hoe vaak hebben we al gehoord dat sociale media een festijn van schone schijn zijn, en dat de wereld naar de knoppen gaat omdat we allemaal naar onze handzame lichtbak lopen te staren op straat? Bijna iedereen beklaagt zich vandaag over de consumptiemaatschappij, de ‘waan van de dag’, en het dictaat van het kapitaal. De helft van de mensen die Twitter gebruikt, vindt Twitter een ranzige riool. Behalve hun eigen tweets natuurlijk. Dat blauwe vogeltje, wat een symptoom van geestelijke verschraling, meneer! De dag van vandaag moeten onze gedachten in 140 tekens geperst worden, waar gaat dat naartoe. (De Wachter spreekt over het “Twittersyndroom”, waarbij “verkorting en ver-beelding de plak zwaaien”). Zoveel zelfverklaarde parels, zo weinig zwijnen. Bijna iedereen die op Facebook zit, beklaagt zich over de ondraaglijke lichtheid ervan. Maar ondertussen blijven we wel allemaal aanwezig (ik ook).

Hebt u het nooit meegemaakt dat u op restaurant een koppel aan tafel op hun respectieve smartphone ziet tokkelen? En is de verleiding dan niet groot om, als volleerde cultuurpessimist, meewarig het hoofd te schudden? “Bezie dat toch eens. Waar gaat dat naartoe met onze maatschappij? Ons sociaal weefsel brokkelt af. De moderne mens vereenzaamt. We kunnen niet meer spreken met elkaar. Iedereen is slaaf van zijn hebbeding. Wel, behalve ik natuurlijk. Wacht, ik moet even iets belangrijks Googelen.” Niets menselijk is mij vreemd, zij Terentius, al had hij naar verluidt geen smartphone.

Merkwaardig genoeg toont psychologisch onderzoek aan dat, waar het hun persoonlijke leven betreft, de meeste mensen wel blaken van optimisme: we zien onze persoonlijke toekomst rooskleurig in, we overschatten onze talenten, we verbeelden ons dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Maar wanneer het over de maatschappij gaat, slaat de stemming helemaal om. Bijna iedereen ontpopt zich tot cultuurpessimist. Die paradox vatte de Nederlandse socioloog Paul Schnabel als volgt samen: “Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht”.

Het geheel lijkt hier minder dan de som van de delen: elkeen voelt zich prima, maar samen gaat we zienderogen begaf. Zijn mensen echt wel zo pessimistisch, of is het gewoon een verwaande pose om zich van de massa af te zetten? Is de moderne doemprofeet, die zo graag foetert op het individualisme, misschien zelf de über-individualist?

Barack Obama

Niets makkelijke dan een litanie afsteken tegen de moderne maatschappij, en het klinkt nog diepzinniger ook. “Kijk om je heen”, schrijft Bas Heijne, en je merkt toch zelf dat het bergaf gaat? In werkelijkheid zijn u en ik geweldig bevoorrecht om hier in anno 2016 te leven, ondanks de problemen waarmee we vandaag blijven kampen. Het is belangrijk om ons af en toe van dat voorrecht te vergewissen, want een vermoeiend cultuurpessimisme kan ook zelfvervullend worden. Als je maar blijft herhalen dat het treurnis troef is in de moderne wereld, ga je je open duur zo voelen ook.

In een toespraak aan Howard University in juli dit jaar, nodigde Barack Obama zijn toehoorders uit tot een gedachtenexperiment, een variant op de ‘sluier van onwetendheid’ van de filosoof John Rawls. Als je één tijdstip zou moeten kiezen om te leven, en je wist op voorhand niet wat je geslacht of nationaliteit of ras zou zijn, welk moment zou je dan kiezen? Het antwoord van Obama is duidelijk: “You’d chose right now… I tell you this not to lull you into complacency, but to spur you into action”.

Er is veel dat ik aan Obama bewonder, maar misschien nog het meest zijn vooruitgangsoptimisme. Doe mij een plezier en beluister zijn speech, of lees zijn editoriaal voor Wired. Hier stuiten we dan toch op één onmiskenbaar opzicht waarin het achteruitgaat met de wereld: straks is Obama niet langer president. Ik zal hem missen na januari 2017, wie ook de verkiezingen wint. En als het niet Hillary Clinton wordt – maar ik ben er vrij gerust op – dan pas bekeer ik mij tot het doemdenken.

(Essay in Zeno, weekendbijlage van De Morgen, 22/10/2016)

woensdag 19 oktober 2016

Gruwel, met de beste bedoelingen

Iedere mens, zo schrijft Marcel Proust in À la recherche du temps perdu, heeft nood aan enkele kleine illusies om de werkelijkheid draaglijk te houden. Natuurlijk is het onverstandig om ons over te geven aan waanbeelden wanneer we de begroting opstellen of een epidemie willen bestrijden. Dat kan verkeerd aflopen. Maar naast gevaarlijke wanen, zijn er ook nuttige illusies die we beter boven de waarheid verkiezen.

Mijn collega-filosoof Ignaas Devisch schaarde zich gisteren aan de kant van Proust. Waarom toch die ‘bekeringsijver’ van atheïsten als Etienne Vermeersch? Zouden ongelovigen niet beter op zoek gaan naar een nieuwe vorm van zingeving, in plaats van op een dood paard te blijven schoppen? Hebben ook goddelozen niet nood aan ‘nuttige illusies’, bijvoorbeeld hun geloof in wetenschap en vooruitgang? Bovendien, aldus Devisch, is religieus geloof enkel gevaarlijk wanneer je het ‘politiek inzet’. Maar geldt dat niet net zozeer voor andere denkbeelden?

Het probleem met die redenering is dat illusies de neiging hebben om zich in ons denken te vertakken en tot onvoorziene neveneffecten te leiden. Neem het geloof in een alwetende en algoede God die zich aan de mens heeft geopenbaard in boekvorm. Klinkt onschuldig? Mogelijk, maar wat als je alles wat in dat boek als waar opvat, en elk moreel gebod als geldig? God is immers alwetend en algoed. Ga je dan, zoals Devisch graag wil, enkel die passages in het boek ter harte nemen die geen ‘politieke inzet’ hebben? Ongelovigen als Devisch en ik zouden religie graag op die manier indammen, maar voor een overtuigde gelovige houdt dat onderscheid geen steek. Als er echt een alwetende God bestaat, waarom zou hij dan ook geen politieke wijsheid in pacht hebben? Wat als zijn boek expliciet zegt wat we moeten aanvangen met afvalligen of homoseksuelen?

Devisch heeft gelijk dat niet alleen religie, maar ook seculiere ideologieën zoals het communisme enorme ravages hebben aangericht. Maar dat bevestigt mijn punt: eenmaal je door een illusie bevangen bent, kan je met de beste bedoelingen gruwelijke dingen doen. Of je denkbeeldige paradijs zich dan in het ondermaanse bevindt, zoals bij het communisme, of in het hiernamaals, zoals bij godsdienst, is bijzaak. Iemand die in een paradijs gelooft, legt iets van oneindige waarde in de morele weegschaal. En is het niet redelijk om alles op te offeren voor iets wat oneindig goed is? Stalin en al-Baghdadi zouden het roerend eens zijn. 

Illusies zijn te duchten, ook over ons zelf. Optimisme is heilzaam wanneer het op redelijke verwachtingen is gestoeld, maar wanneer het uitgroeit tot een illusie, kan het tot gevaarlijk gedrag leiden. Menige overmoedige generaal, roekeloze beursspeculant en achteloze snelheidsduivel kan erover meespreken. 

De enige echt nuttige denkbeelden die Devisch noemt, zijn dan weer geen illusies. ‘Geloof in een betere wereld’ bijvoorbeeld is een empirische hypothese, die je met harde cijfers kan onderbouwen. Nog nooit leefden we zo veilig, gezond en welvarend. Wie verdere vooruitgang waarschijnlijk acht, voorzichtig extrapolerend vanuit het verleden, denkt rationeel. Wie zich verbeeldt dat vooruitgang noodwendig en absoluut zeker is, zoals de communisten destijds, is slachtoffer van een waanbeeld. Zoiets loopt geheid slecht af.

(De Standaard, 19 oktober 2016)

woensdag 12 oktober 2016

Waarom de meerderheid dol is op minderheden

Wie wil graag deel uitmaken van een minderheid? Wie wil zich uitgesloten of gemarginaliseerd voelen, louter omdat hij anders is dan de mainstream of er onpopulaire meningen op nahoudt? Wie wil een eenzame strijd voeren tegen een verpletterende orthodoxie?

Wel, blijkbaar willen heel wat mensen dat. Velen van ons koesteren minderheden, dragen ze op handen, willen zelf een minderheid zijn. We hebben sympathie voor heldhaftige andersdenkenden en verstotenen, verworpenen en verdrukten, de kleine stem die versmacht wordt door de meerderheid. Hoe komt dat?

Tegendraadse heroïek

Eén reden is dat we vandaag de dag prat gaan op onze onafhankelijkheid van denken. We haten conformisme, kuddementaliteit en een versmachtend pensée unique. We wentelen ons in de heroïek van de vrijbuiter die ingaat tegen wat de goegemeente denkt. Wie wil immers uitblinken in orthodoxie? Hoe volgzaam om te denken wat de meerderheid denkt! Hoe lichtgelovig ben je niet als je klakkeloos slikt wat anderen geloven! We wanen ons liever de kleine en dappere David dan de reus Goliath.

Al met al hebben we gelijk dat we de onafhankelijkheid van denken belangrijk vinden en de consensus wantrouwen. Maar de heroïek van de tegendraadse geest kan absurde vormen aannemen. Een visie die gedeeld wordt door een meerderheid wordt bijna per definitie verdacht. Als de tegendraadse zalm nog maar een mainstream ziet, dan wil hij fanatiek in de andere richting zwemmen, pal tegen de stroom op. Het is de nachtmerrie van elke verstokte dwarsdenker: de mainstream worden, of op zijn minst voor mainstream aanzien worden! En dus gaat de tegendraadse geest op zoek naar zijn eigen zelfvervullende voorspelling. Wie deel wil uitmaken van een minderheid, kan gewoon zichzelf marginaliseren. Blijf dingen zeggen die voldoende uitzinnig of absurd zijn, en op termijn beland je vanzelf in de marge.

Denk maar aan de 9/11 Truthers, die koste wat het kost de 'officiële' kijk willen ontkrachten en uiteindelijk gaan geloven in dwaze complottheorieën. Ze beschouwen zichzelf als heldhaftige uitdagers van de orthodoxie, maar hun martelaarschap hebben ze over zichzelf afgeroepen. Geen wonder dat niemand ze nog ernstig neemt.

Verdrukkende minderheid

De tweede reden waarom onze cultuur dol is op minderheden, is onze diepgewortelde sympathie voor de underdog. In de slachtofferrol kruipen loont. Als je anderen ervan kunt overtuigen dat je wordt verdrukt of de mond wordt gesnoerd, dan levert dat in sommige kringen zelfs moreel krediet op. Deel uitmaken van een minderheid is aantrekkelijk en benijdenswaardig geworden. Dat is de reden waarom mensen zelfs beweren tot een minderheid te behoren terwijl dat eigenlijk niet het geval is. Dat werkt zo. Hoeveel aanhangers je zaak ook heeft, hoe groot je publiek ook is, blijf altijd benadrukken dat jij de belaagde minderheid bent die de mond wordt gesnoerd door een boosaardige orthodoxie. Aanvaard nooit dat je de bovenhand haalt, of dat naar je verzuchtingen geluisterd wordt. Maak je vijand groter en jezelf kleiner.

Maar er is niets nobel of lovenswaardig aan een minderheidspositie. Minderheden kunnen het helemaal bij het verkeerde eind hebben, of verwerpelijke ideeën hebben. Ze kunnen zelfs gevaarlijk zijn. Een van de grootste bedreigingen voor de vrijheid van meningsuiting vandaag komt bijvoorbeeld van een bepaalde religieuze minderheid. Iedereen weet dat spot met of kritiek op de islam en met name de profeet Mohammed prompt wordt beantwoord met geweld door islamitische fundamentalisten.

Een van de voornaamste redenen waarom apologeten dat islamitisch radicalisme vergoelijken, is dat het geweld gepleegd wordt door wat zij beschouwen als een onderdrukte minderheid. Arme, gefrustreerde jongeren wier geloof onophoudelijk belachelijk gemaakt wordt door de gevestigde machten, grijpen naar de enige manier om zich te verdedigen: de guerrillastrijd. Hoe vertederend!
Die morele opwaardering en vergoelijking van minderheden slaat nergens op. Als je erin slaagt je middeleeuwse godslasteringswetten op te leggen aan de rest van de samenleving, dan ben je geen verdrukte minderheid, maar een verdrukkende minderheid.

Tot slot wil ik wel voor enige omzichtigheid pleiten omtrent het begrip 'politieke correctheid'. Net zoals de hogepriesters van de politieke correctheid overdrijven hoe verdrukt en gemarginaliseerd sommige minderheden zijn in de politieke arena, mogen we ook de dominantie van de politieke correctheid niet overdrijven. Trap niet in die val.

Toegegeven, de toename van de beledigingscultuur (offense culture) is een reëel fenomeen aan progressieve universiteitscampussen, en het is iets waarover we ons zorgen moeten maken. Maar we mogen de boeman van de politieke correctheid niet groter maken dan hij is, of zelf in de slachtofferrol kruipen. In haar meer groteske vorm is de beledigingscultuur nog altijd een randfenomeen, dat veel tegenwind kreeg in de media en elders. Deze mensen zijn er geenszins in geslaagd om hun morele puritanisme op te leggen aan de rest van de samenleving.

Contraproductief

Een deel van de tegenreactie op de politieke correctheid komt van provocerende dwarskoppen die elkaar bewust proberen te overtroeven in politieke incorrectheid, door dingen te zeggen en schrijven die erop gericht zijn culturele gevoeligheden zo veel mogelijk te schofferen. Het feit dat ze daar mee wegkomen, bewijst dat de invloed van de politieke correctheid veeleer beperkt is. De politieke correctheid is helaas in grote mate een kwestie van de linkerzijde die haar eigen kinderen opeet. Het klimaat mag verstikkend zijn aan progressieve campussen, maar elders in de samenleving halen mensen hun schouders op.

Als de politieke correctheid al enig effect heeft op de rechterzijde, dan is het contraproductief. Men bereikt het tegengestelde van wat beoogd was. De populariteit van Donald Trump kan in ruime mate verklaard worden als een reactie tegen de excessen van de politieke correctheid.
Het vrije denken wordt bedreigd, maar het gevaar komt niet van de pleitbezorgers van de politieke correctheid, althans niet rechtstreeks. De rol van de politiek correcte moraalridders is hoogstens die van 'nuttige idioten', zoals Lenin ze noemde: vergoelijkers en facilitators van de bedreiging eerder dan de bedreiging zelf. Dat is op zich al erg genoeg.


(De Morgen, 12 oktober 2016 - vertaling van Battle of Ideas toespraak)

dinsdag 11 oktober 2016

Why we all love minorities (and want to be one)

Who wants to belong to a minority? Who wants to feel left out or marginalized, merely because you are different from the mainstream, or because your hold unpopular views? Who would want to wage a lonely battle against a crushing orthodoxy?

Actually, it turns out that a lot of people would. Many of us cherish and celebrate minorities, and would want to be part of a minority themselves. We sympathize with heroic dissenters and outcasts, with the downtrodden and oppressed, the small voice drowned out by the majority. Why is this so?

Contrarian heroism

One reason is that, in our day and age, we pride ourselves on independence of mind. We loath conformism, herd mentality and stifling orthodoxies. We revel in the heroism of the maverick who dares to challenge what everybody else thinks. Who wants to be a champion of the orthodoxy, after all? How docile to think what the majority thinks! How gullible to swallow what they want you to believe! We would rather be the small and courageous David than the giant Goliath.

By and large, we are right to celebrate independence of mind, and to be suspicious of consensus. But  heroism of the contrarian streak of mind can take on ridiculous forms. A view that is shared by a majority becomes almost by definition suspect. Wherever the contrarian sees a mainstream, he desperately wants to paddle in the other direction, boat firmly against the current. It’s every contrarian’s nightmare: to become mainstream, or at least to be perceived as such! So the contrarian seeks his own self-fulfilling prophecy. If you want to be part of a minority, here’s how you marginalize yourself. Just keep saying things that are sufficiently outrageous or absurd, and eventually you will end up on the fringe.

Think about 9/11 Truthers, who desperately want to challenge the ‘official’ view, and end up believing in fatuous conspiracy theories. They regard themselves as heroic dissenters from the orthodoxy, but theirs is a self-inflicted martyrdom.

Oppressive minorities

The second reason why our culture love minorities is our deep-seated sympathy for the underdog. Playing the victim card pays off. If you can persuade people that you are being silenced and oppressed, you even earn extra moral credit in some quarters. Being part of a minority has become attractive and enviable. This is why many people pretend to be in a minority even when they’re not. Here’s how it works. No matter how many supporters your cause has, no matter large your audience is, always insist that you are still the embattled minority, silenced by an evil orthodoxy. Never accept that you might get the upper hand, or your views might get recognition. Make your enemy bigger, belittle yourself.

But there is nothing praiseworthy about being in a minority position. Minorities can be dead wrong, or hold repulsive views, or even be dangerous. For instance, one of the major threats to free speech today is coming from a certain religious minority. Everyone knows that mockery and criticism of Islam, and the prophet Mohammed in particular, is bound to be promptly met by violence from Islamic fundamentalists. Deluded apologists make excuses for Islamic radicalism, and one of the main reasons why they do so is that the violence is committed by what they perceive as an oppressed minority. Poor young frustrated youngsters, whose faith is being relentlessly ridiculed by the powers that be, resort to the only means of resistance that is available to them: guerilla warfare. How endearing!

But there is nothing redeeming or noble about being small in numbers. If you succeed in enforcing your medieval blasphemy laws on the rest of society, you are not an oppressed minority, but an oppressive minority. 

Political correctness

Finally I want to make a cautionary point about the notion of political correctness. Just as the high priests of political correctness exaggerate how oppressed and marginalized some minorities are in the political arena, we should not exaggerate the dominance of political correctness either. Don’t fall into that trap. True, the rise of offense culture on liberal university campuses is a real phenomenon, and it is something to worry about. But let us not make the boogeyman of political correctness larger than life, or play the victim card ourselves. In its more ludicrous forms, offense culture is still a fringe phenomenon, which received a strong pushback in the media and elsewhere. These people have not, by any reasonable measure, succeeded in enforcing their puritanical views on the rest of society.

Indeed, part of the backlash against political correctness consist of proud offenders who expressly try to outdo each other in political incorrectness, to say and write things that are intended to shock cultural sensibilities as much as possible. By the very fact that they can get away with this, however, we can see that the influence of political correctness is rather limited. Indeed, political correctness is in large part a matter of the Regressive Left eating its own children. The climate may be suffocating on liberal campuses, but in the rest of society, few people care.

If political correctness has any effect on the right side of the spectrum, it is a counterproductive one, realizing the opposite of what is intended. In no small measure, the popularity of Donald Trump can be seen against the backdrop of this excesses of political correctness.

Free thought is under threat today, but the danger is not coming from the upholders of political correctness, or at least not directly. At most, the role of the politically correct crowd is that of useful idiots, abettors and facilitators of the threat rather than the threat itself. That’s bad enough already.

[Speech at the Battle of Ideas festival in Amsterdam]

maandag 3 oktober 2016

Homeopathie is veilig, het geloof erin gevaarlijk

Kent u het wondermedicijn Obecalp? Een zekere dr. Herbert Kuppermann ontwikkelde het middel aanvankelijk tegen kwaaltjes die gepaard gaan met de menopauze. Maar tot zijn eigen verbazing, ontdekte hij dat Obecalp ook remedie is tegen een waaier aan andere klachten. Eigenlijk moeilijk om iets te bedenken waar Obecalp niet tegen helpt. Bovendien bestaat het middel in eenvoudige pilvorm en is het volkomen veilig.
Slechts één bijwerking: bij sommigen veroorzaakt het wantrouwen in de geneesheer die het voorschreef. Obecalp is ‘placebo’, achterwaarts gespeld. Suikerwater, capsule met kapsones. Loog dr. Kuppermann zijn patiënten voor toen hij ze met fraaie praatjes en een doosje Obecalp naar huis stuurde? Niet helemaal. Het middel verlichtte echt klachten. Eén ingrediënt moest de patiënt echter zelf toevoegen: geloof. De geheime formule van het beroemde placebo-effect. Als de patiënt gelooft dat een medicijn werkt, dan kan de ordinairste suikerpil wonderen verrichten.
Maar daar knelt het schoentje. Geloof heeft geen chemische formule, en het is niet eenvoudig te bereiden. Filosofen weten dat wij onze overtuigingen niet zelf kiezen; zij dringen zich aan ons op, als ongenode gasten. Schrijft de apotheker u straks Obecalp voor, zult u dan nog steeds geloven dat de pillen werken? Eens je kennis hebt opgedaan, kun je die moeilijk ongedaan maken. De wetenschap dat Obecalp gewoon een veredelde suikerbol is, zal je blijven achtervolgen.

Geloofsonwillekeur

Dat principe van ‘geloofsonwillekeur’, zoals ik het noem in mijn boek Illusies voor gevorderden, is vrij onwrikbaar. Probeer de volgende keer dat u barstende koppijn heeft eens in de magische kracht van een glas kraanwater te geloven. Knap lastig. Er zit geen schakelaar in ons brein waarmee we onze overtuigingen bewust kunnen bedienen.
De etnoloog Peter Jan Margry brak in NRC een lans voor alternatieve geneeswijzen. De werkzaamheid van homeopathie en acupunctuur is bijzaak, stelt de professor. Hij hekelt de „polariserende” rol van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, die alle alterneuterij als onzin afschrijft. Margry pleit in het alternatieve circuit voor een „heldere indeling” tussen heilzame en gevaarlijke geneeswijzen. Dat klinkt billijk en pragmatisch, maar het loopt al snel op de klippen. De werking ervan is gebaseerd op het placebo-effect, en het placebo-effect vereist oprecht geloof. Niet alleen is het onmogelijk je eigen illusies te kiezen, maar illusies hebben ook de neiging om zich in ons denken te vertakken en tot schadelijke neveneffecten te leiden, zelfs als ze aanvankelijk onschuldig lijken.Ook een verstokte scepticus zou baat kunnen hebben bij het placebo-effect. Moeten we onszelf kwellen met de waarheid, als diep geloof in een illusie onze pijnen kan verlichten? De kracht van het placebo-effect is soms verbluffend. De arts Henry Beecher, die werkte in een veldhospitaal tijdens de Eerste Wereldoorlog, behandelde zijn gewonde soldaten soms met een gewone zoutoplossing als hij door zijn voorraad morfine heen was. Tot zijn verbazing was er nauwelijks verschil: zodra hij de naald in hun arm zette, slaakten de zieltogende soldaten een zucht van verlichting. Hun rotsvaste geloof in de wonderen van die nieuwe pijnstiller had hen gered.
Minder onschuldig
Neem homeopathie. Niets is onschadelijker dan een suikerbolletje of een paar druppels water, kundig geschud in een homeopathische fabriek. Een homeopathisch medicijn bevat geen enkele werkzame stof, dankzij de absurde verdunningsgraad, en is daarom vrij van bijwerkingen. Wat een verschil met reguliere geneesmiddelen! Zullen we dan maar allemaal geschud water slikken, en ondertussen de Vereniging tegen de Kwakzalverij verbieden, in de hoop dat we het binnenkort allemaal gaan geloven ook? Wie wil immers niet van de weldaden van het placebo-effect genieten? Maar de illusie van homeopathie is minder onschuldig dan ze lijkt. In undercoveronderzoek van de Britse journalist Simon Singh blijkt dat tien van de geraadpleegde homeopaten geschud water voorschreven voor een tropenreis, ter bescherming tegen malaria. Levensgevaarlijk. Maar waarom zouden ze niet?

Alternatieve geneeswijzen kunnen echt heil brengen, maar het placebo-effect waaruit ze hun kracht putten, stoelt op illusies. Die zijn niet onschuldig, maar leiden vaak tot roekeloos, gevaarlijk en schadelijk gedrag. Toch hoeven we niet van de wonderen van het placebo-effect verstoken te blijven. Ook echte medicijnen, waarvan werkzaamheid is bewezen, genieten van een placebo-bonus. En je hebt er niet eens schadelijke illusies voor nodig. Is dat niet het beste van beide werelden?
Als je eenmaal gelooft dat geschud water magische krachten heeft, waarom zou je dan ophouden bij griep en verkoudheid? De ene illusie volgt naadloos uit de andere. Idem voor de patiënt. De positieve ervaring met het ene suikerbolletje sterkt het vertrouwen in het andere. Homeopathie is niet schadelijk door wat erin zit, maar door het geloof dat wat erin zit, echt werkt. Die waarschuwing zou op bijsluiters moeten prijken. Het onderscheid van Margry tussen veilige en heilzame onzin houdt geen stand. Je kunt je geloof in homeopathie niet naar believen in- en uitschakelen, afhankelijk van de voor- en nadelen.
Alternatieve geneeswijzen kunnen echt heil brengen, maar het placebo-effect waaruit ze hun kracht putten, stoelt op illusies. Die zijn niet onschuldig, maar leiden vaak tot roekeloos, gevaarlijk en schadelijk gedrag. Toch hoeven we niet van de wonderen van het placebo-effect verstoken te blijven. Ook echte medicijnen, waarvan werkzaamheid is bewezen, genieten van een placebo-bonus. En je hebt er niet eens schadelijke illusies voor nodig. Is dat niet het beste van beide werelden?
(NRC,